Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
volgens de statutenuitsluitend kunnen worden bestemd ten bate van een algemeen maatschappelijk belang of een (ander) ex art. 5(1)(c) Wet Vpb vrijgesteld lichaam en (ii)
feitelijkmoet behaalde winst ook daadwerkelijk uitsluitend aan één van die twee bestemmingen toevloeien. De laatste voorwaarde blijkt weliswaar niet uit de tekst van art. 4 Uitvoeringsbesluit Pro Vpb, maar daarzonder kan de bepaling niet voldoen aan zijn ratio,
i.e.voorkomen dat winst ten goede komt aan niet-kwalificerende bestemmingen en voorkoming van concurrentieverstoring. Het Hof heeft belanghebbendes statuten aldus uitgelegd dat zij niet aan de voorwaarde van statutaire uitsluiting van ‘verkeerde’ winstbestemming voldoen. Uitleg van statuten is feitelijk en daarom in cassatie beperkt toetsbaar. ‘s Hofs uitleg van de statuten is niet onbegrijpelijk. Of de belanghebbende al dan niet aan de feitelijke voorwaarde voldoet, doet dan niet ter zake.
2.De feiten
corporate treeziet er dus als volgt uit:
3.Het geding in feitelijke instanties
Het geschil
4.Het geding in cassatie
5.De formele en de gedelegeerde wetgeving
wetgevereist dat de statuten van de zorginstelling (van welker statuten de wetgever juist abstraheerde om in plaats daarvan de feitelijke-werkzaamheidstoets te stellen) zelfs geen (abstracte)
mogelijkheidmogen bieden tot andere werkzaamheid dan zorg (mits niet meer dan 10%), noch dat de abstracte statutaire
mogelijkheidvan enige winstuitkering aan andere dan zorgdoeleinden al in de weg zou staan aan de vrijstelling, los van de vraag of dergelijke winst feitelijk überhaupt gemaakt wordt. Het ging de wetgever immers om de
feitelijkewerkzaamheid, die in overeenstemming moest zijn met het goede doel, maar daar voor maximaal 10% van mag afwijken.
feitelijkebestemming van feitelijk (wél) behaalde winst.
6.Jurisprudentie
7.Literatuur
curs.in origineel):
allewinst wordt aangewend ten behoeve van toegestane zorgactiviteiten of een algemeen belang: de aandeelhouder heeft recht op een 'gematigd rendement' op het door hen geïnvesteerde vermogen. Dit is weliswaar sympathiek, maar lijkt mij niet juist. Op deze wijze ontstaat een vrijgesteld rendement op ondernemingsvermogen. Dat past niet in ons systeem van vennootschapsbelasting.
8.Beschouwing
feitelijkgemaakte winst
feitelijkten goede komt aan andere bestemmingen dan zorgverlening, althans algemeen nut. De gestelde eis lijkt dus verder te gaan dan nodig is voor de door de formele wetgever beoogde doelen.
kanworden aangewend ten bate van …” (curs. PJW)), zonder tevens de voorwaarde te stellen dat eventuele winst ook
feitelijkaan niets anders dan zorg, althans algemeen nut, besteed wordt. De belanghebbende stelt terecht dat - mijn weergave - statutair papier geduldig is en het niet de bedoeling zal zijn dat lichamen met perfecte statuten die niettemin
feitelijkdie statuten overtreden door niet-kwalificerend uit te delen, desniettegenstaande de vrijstelling deelachtig worden. In 2012 lijkt de wetgever overigens die feitelijke eis alsnog te stellen, zij het niet in het Uitvoeringsbesluit, maar in de parlementaire toelichting bij het vervallen van de zijns inziens overbodige zinsnede “als instelling van weldadigheid of algemeen nut”. U zie het citaat in 5.6, met name de passage “… dat eventueel behaalde winsten slechts kunnen worden aangewend ten bate van - kort gezegd - het vrijgestelde lichaam. Winstuitkeringen aan derden leiden derhalve per definitie tot belastingplicht.”
mogelijkvoorzagen.
9.Beoordeling van de klachten
mogelijkdat die winst, indien zij behaald wordt, aan andere dan kwalificerende doelen besteed wordt. ’s Hofs oordeel in r.o. 4.3 acht ik daarom niet onbegrijpelijk. Rechtskundig juist lijkt mij ’s Hofs oordeel (r.o. 4.4) dat dan niet meer ter zake doet hoe de belanghebbende eventuele al dan niet andere winst, indien gemaakt,
feitelijkzou bestemmen. Zoals boven ook bleek, is mijns inziens onjuist belanghebbendes stelling dat alleen de feitelijke bestemming van feitelijk behaalde winst relevant is. De gedelegeerde wetgever heeft weliswaar gezwalkt tussen statuten (doelstellingen) en feiten, maar lijkt mij niet buiten zijn gedelegeerde bevoegdheid getreden met zijn eis dat de
statuten‘uitsluitend’ kwalificerende bestemming toelaten, ongeacht uit welke al dan niet kwalificerende activiteit de winst voortvloeit.