AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Belemmering van politieambtenaar bij uitschrijven kennisgeving beschikking Wet Mulder niet strafbaar onder art. 184 Sr
De zaak betreft een veroordeling van verdachte wegens eenvoudige belediging en het opzettelijk belemmeren van een politieambtenaar bij het uitschrijven van een kennisgeving beschikking op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder).
Het Gerechtshof Arnhem had verdachte veroordeeld tot een geldboete en voorwaardelijke hechtenis. Verdachte stelde in cassatie dat de belemmerde handeling niet viel onder art. 184 SrPro omdat de politieambtenaar niet handelde in het kader van opsporing of onderzoek van strafbare feiten, maar op grond van administratiefrechtelijke bevoegdheid.
De Hoge Raad overwoog uitgebreid dat art. 184 SrPro vereist dat de belemmerde handeling is ondernomen door een ambtenaar belast met toezicht of opsporing van strafbare feiten en ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. De Wet Mulder geeft politieambtenaren toezichtbevoegdheid, maar het uitschrijven van een kennisgeving beschikking is geen opsporingshandeling in strafrechtelijke zin.
Toch oordeelde de Hoge Raad dat de politieambtenaar in deze zaak zowel belast was met opsporing als met toezicht op grond van de Wet Mulder, en dat het hof de tenlastelegging in die zin terecht had uitgelegd. De cassatie werd verworpen omdat het hof de wettelijke grondslag van het optreden van de ambtenaar voldoende duidelijk had gemaakt en de verdediging geen verweer had gevoerd tegen deze uitleg.
De Hoge Raad bevestigde dat de belemmering van de ambtenaar bij het uitschrijven van de kennisgeving beschikking onder art. 184 SrPro valt indien de ambtenaar tevens met toezicht belast is, ook al betreft het geen opsporingshandeling. Het cassatieberoep faalde en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens belemmering van een politieambtenaar bij het uitschrijven van een kennisgeving beschikking Wet Mulder blijft in stand.
Conclusie
Nr. 12/04442
Zitting: 7 januari 2014
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 19 april 2012 de verdachte wegens 1. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en 2. “opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren” veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan € 250,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. Th. J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middelhoudt in dat het hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat sprake is van een handeling ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr, althans dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde feit ten onrechte heeft gekwalificeerd als het in art. 184, eerste lid, Sr bedoelde strafbare feit.
4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op 26 september 2010 te Ede, opzettelijk enige handeling door een ambtenaar [verbalisant] (hoofdagent van politie) belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, te weten het uitschrijven van een kennisgeving beschikking inzake de Wet Mulder, heeft belemmerd, door opzettelijk bij [verbalisant] te gaan staan en (vervolgens) zich met het bekeuringsgesprek te bemoeien en (vervolgens) te gaan schreeuwen en (vervolgens) een agressieve houding aan te nemen, ondanks herhaalde verzoeken om zich te verwijderen.”
5. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van politie kan het volgende worden afgeleid. Een hoofdagent van politie, [verbalisant], ziet in de nacht van 26 november 2010 een fietser rijden die geen verlichting voert. De agent verzoekt de persoon te gaan lopen of met verlichting verder te gaan. De fietser blijft zonder verlichting om de agent heen fietsen en daarop houdt de agent de fietser staande “om deze een bekeuring aan te zeggen” voor het fietsen zonder verlichting. De fietser wil in eerste instantie niet meewerken, maar maakt, na enig aandringen, kennelijk aanstalten om zijn identiteitskaart te pakken. De politieambtenaar wil het “bekeuringsgesprek” afmaken, maar vanaf dat moment gaat de verdachte zich met het gesprek bemoeien door te schreeuwen, een agressieve houding aan te nemen en geen gevolg te geven aan verzoeken weg te gaan. De verdachte belemmert daarmee de politieambtenaar in het uitschrijven en afwerken van de “bekeuring”.
6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de handeling die de verdachte belemmerde geen handeling is die in verband staat met het opsporen of het onderzoeken van strafbare feiten. De steller van het middel voert aan dat de bevoegdheid van de verbalisant om een kennisgeving beschikking uit te schrijven niet berust op een opsporingsbevoegdheid, maar op de bevoegdheid van art. 3 WetPro administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV).
7. De tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 2 zijn toegesneden op art. 184, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt:
“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
8. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 184 SrPro een groot aantal strafbepalingen verving die tot dan toe in bijzondere strafwetten waren opgenomen. Het artikellid herbergt in wezen twee verschillende strafbare gedragingen, die beide in het teken staan van de bescherming van het openbaar gezag bij de uitvoering van wettelijke voorschriften. In het eerste deel van de bepaling wordt het “lijdelijk verzet” [1] door middel van het niet voldoen aan een bevel of vordering strafbaar gesteld. Het tweede deel stelt strafbaar het meer actieve, feitelijk beletten, belemmeren of verijdelen van de handelingen van de ambtenaar. De als tweede genoemde verschijningsvorm vertoont verwantschap met het in art. 180 SrPro opgenomen misdrijf van wederspannigheid, maar onderscheidt zich daarvan doordat het feitelijk beletten, belemmeren of verijdelen zich op andere wijze uit dan door geweld of bedreiging met geweld. [2] Ook heeft art. 180 SrPro betrekking op verzet tegen “een ambtenaar”, terwijl de in art. 184, eerste lid, Sr neergelegde feiten beperkt zijn tot optreden tegen “een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten”. Ten slotte is wederspannigheid strafbaar indien de ambtenaar werkzaam was “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, terwijl voor strafbaarheid op grond van het tweede deel van art. 184, eerste lid, Sr is vereist dat de ambtenaar handelde “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift”.
9. De vraag rijst in hoeverre de eis dat de handeling is ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift in combinatie moet worden bezien met de beperking van de reikwijdte van art. 184, eerste lid, tot “een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten”. Betekent het feit dat bewezen is verklaard dat de ambtenaar belast was met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten dat de bevelen en handelingen van de ambtenaar hun grondslag moeten vinden in de bepalingen omtrent opsporing? [3] Aanknopingspunten voor een bevestigende beantwoording zouden wellicht kunnen worden ontleend aan twee door de Hoge Raad in 1895 gewezen arresten en aan een arrest van de Hoge Raad van 12 januari 1965. [4] Ten aanzien van het eerste deel van art. 184, eerste lid, Sr zou ook kunnen worden gewezen op HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3880, NJ 2007/337. De Hoge Raad overwoog in dat arrest ten aanzien van een vordering tot het openen van een deur van het pand:
“Naar is bewezenverklaard was de politieambtenaar 'belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten'. Dit betekent dat het Hof heeft aangenomen dat de politieambtenaar de onderhavige vordering deed in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Zoals hiervoor is overwogen, bieden de art. 340–349 Sr — en biedt art. 55 SvPro — geen grond voor een veroordeling ter zake van het in de eerste zinsnede van art. 184, eerste lid, Sr bedoelde strafbare feit. Art. 2 PolitiewetPro 1993 verschaft zodanige grond in dit kader evenmin, omdat ook aan deze bepaling in dit geval niet een rechtsplicht van de verdachte kan worden ontleend zijn medewerking te verlenen aan de vordering. Ook overigens ontbreekt enig wettelijk voorschrift op grond waarvan de verdachte verplicht is zijn medewerking aan het openen van de deur te verlenen.”
10. De beide varianten van art. 184, eerste lid, Sr kunnen ten aanzien van de wettelijke basis voor de bevoegdheidsuitoefening overigens niet worden gelijkgeschakeld, zo blijkt onder meer uit HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008/206:
“Art. 184, eerste lid , Sr eist een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 PolitiewetPro 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 PolitiewetPro 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 SrPro bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.”
11. In zijn noot onder laatstgenoemd arrest merkt Mevis op:
“Het tweede deel van art. 184 lid 1 SrPro staat, zeker na bovenstaand arrest, dichter bij art. 180 danPro bij het eerste tekstdeel van dat artikellid; ‘wettelijk voorschrift’ in het tweede deel van art. 184 lid 1 lijktPro in de opvatting van de Hoge Raad inhoudelijk in de richting te gaan van ‘in de rechtmatige uitoefening van de bediening’ van art. 180 SrPro. Beletten, belemmeren of verijdelen kan als een bijzondere vorm van ‘verzetten’ worden gezien.”
12. In elk geval zal de rechter in geval van bewezenverklaring in het vonnis of arrest tot uitdrukking moeten brengen dat het handelen van de ambtenaar ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift werd ondernomen. [5] De door de rechter aangenomen wettelijke grondslag van het handelen van de rechter zal niet in het midden mogen blijven. Voorts zal duidelijk moeten worden dat de ambtenaar die handelt ter uitvoering van het desbetreffende wettelijk voorschrift met de uitvoering van enig toezicht is belast dan wel belast is met of bevoegd is verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten. Aldus zal samenhang moeten kunnen worden vastgesteld tussen de taak /bevoegdheid van de ambtenaar en de concrete uitoefening daarvan.
13. In de onderhavige zaak is bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk enige handeling heeft belemmerd door een ambtenaar [verbalisant] (hoofdagent van politie) belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, te weten het uitschrijven van een kennisgeving beschikking inzake de Wet Mulder. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat de politieambtenaar een beschikking op grond van de WAHV uitschreef en dat sprake was van een “redelijke proportionele aanwending van de bevoegdheid daartoe”, die de verdachte heeft belemmerd.
14. De omschrijving van de wettelijke grondslag in het bestreden arrest is globaal. In plaats van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, wordt in de bewezenverklaring in aansluiting op de tenlastelegging de gangbare, informele aanduiding “Wet Mulder” gebruikt, terwijl een verwijzing naar een artikel ontbreekt. Door aan te geven dat sprake was van het “uitschrijven van een kennisgeving beschikking inzake de Wet Mulder” wordt niettemin duidelijk dat het hof het oog heeft gehad op art. 3 WAHVPro. Ook uit de cassatieschriftuur blijkt dat daarover geen misverstand bestaat, terwijl over de globale verwijzing evenmin wordt geklaagd.
15. In art. 3, eerste lid, WAHV wordt bepaald dat met het toezicht op de naleving van de in art. 2, eerste lid, van de WAHV bedoelde voorschriften bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren zijn belast. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt (art. 3, tweede lid, WAHV). De uitoefening van die bevoegdheid is niet gericht op het nemen van strafvorderlijke beslissingen en kan reeds om die reden niet worden aangemerkt als een opsporingshandeling in de zin van art. 132a Sv. Als de ambtenaar, zoals in de onderhavige zaak, een kennisgeving van een beschikking als bedoeld in art. 3, tweede lid, van de WAHV uitschrijft, treedt hij niet op in het kader van het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten'. De administratiefrechtelijke afdoening is gericht op de in art. 2, eerste lid, WAHV bedoelde gedragingen, die in het kader van de WAHV niet als strafbare feiten worden aangeduid. Daaraan doet niet af dat het fietsen zonder licht bij nacht een strafbaar feit is. [6] Ingevolge art. 2 WAHVPro kan een administratiefrechtelijke sanctie worden opgelegd voor overtreding van art. 35 RVV1990 (het feit wordt in de bijlage bij de WAHV genoemd onder R 438k). Naar mijn mening voert de steller van het middel dan ook terecht aan dat in de onderhavige zaak geen sprake was van de belemmering van een handeling die in verband staat met het opsporen of het onderzoeken van strafbare feiten. Nu de verdachte de politieambtenaar niet belemmerde in enige opsporingshandeling, maar in de aanwending van de bevoegdheid ex art. 3 WAHVPro, had het voor de hand gelegen als in de tenlastelegging tot uitdrukking was gebracht dat de belemmering plaatsvond ten opzichte van een “ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”.
16. Het voorafgaande betekent naar mijn mening evenwel nog niet dat het middel daarmee slaagt. Het feit is volgens de bewezenverklaring gepleegd jegens een hoofdagent van politie. Art. 3, eerste lid, van de WAHV luidt:
“Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.”
De in deze bepaling bedoelde AMvB betreft het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994. [7] Art. 2 vanPro dit Besluit luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
1. Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn belast:
a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering.
(...)”
17. Strieper was als hoofdagent van politie te beschouwen als een ambtenaar van politie als bedoeld in art. 141, aanhef en onder b, Sv. [8]
18. Uit het voorafgaande volgt dat de in de bewezenverklaring genoemde hoofdagent van politie niet alleen was belast met en bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten, maar dat hij ook belast was met de uitoefening van enig toezicht, in dezen op grond van art. 3 WAHVPro. Kennelijk heeft het hof de tenlastelegging in deze zin geïnterpreteerd dat de hoofdagent van politie op grond van de in het voorafgaande genoemde wettelijke voorschriften (tevens) met het uitoefenen van enig toezicht is belast. De uitvoering van het wettelijk voorschrift, in dezen het uitschrijven van een kennisgeving beschikking op grond van art. 3 WAHVPro, correspondeert met die taak en bevoegdheid. Deze niet onbegrijpelijke uitleg van de tenlastelegging zal in cassatie moeten worden geëerbiedigd, waarbij nog aantekening verdient dat de verdediging op dit onderdeel in feitelijke aanleg geen verweer heeft gevoerd.
19. De onderhavige zaak onderscheidt zich daarin van de hiervoor onder 9 genoemde zaken, dat in dezen noch behoeft te worden getwijfeld in welk kader noch ter uitvoering van welk wettelijk voorschrift de ambtenaar optrad. De hoofdagent van politie maakte gebruik van zijn bevoegdheid op grond van art. 3 WAHVPro. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de tenlastelegging - en in het voetspoor daarvan het arrest - dit niet gelukkig uitdrukt. De omstandigheid dat in de bewezenverklaring niet is opgenomen dat de ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht is belast, maakt echter niet dat de bewezenverklaring onjuist is dan wel dat het bewezen verklaarde ten onrechte als het in art. 184, eerste lid, bedoelde strafbare feit is gekwalificeerd. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat is bewezen dat de ambtenaar was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten. Anders dan in HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3880, NJ 2007/337, is de wettelijke basis voor het optreden van de hoofdagent van politie in de onderhavige zaak helder en wordt daarmee ook duidelijk dat hij in zijn concrete taakuitoefening handelde ter uitvoering van art. 3 WAHVPro. Nu vaststaat dat de hoofdagent van politie, die inderdaad mede is belast met en bevoegd is tot het opsporen van strafbare feiten, tevens is belast met het toezicht als bedoeld in art. 3 WAHVPro, bestaat geen discrepantie tussen deze toezichthoudende taak en de in dat kader ter uitvoering van art. 3 WAHVPro ondernomen handeling. Te overwegen valt de kwalificatie verbeterd te lezen, in die zin dat in plaats van “ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten” wordt gelezen “ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”.
20. Het middel faalt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Terminologie ontleend aan NLR, art. 184 SrPro, aant. 1.
6.Ingevolge art. 35 ReglementPro verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) dienen fietsers tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting te voeren. Art. 92 RVVPro 1990 rubriceert overtreding van art. 35 RVVPro 1990 als een strafbaar feit. Ingevolge art. 177, eerste lid onder d, Wegenverkeerswet 1994 wordt het bepaalde krachtens die wet, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt, gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie
7.Zie voor de versie ten tijde van het delict: Stb. 2009, 140.
8.Vgl. art. 3, eerste lid, onder a, van de ten tijde van het feit geldende Politiewet 1993.