De zaak betreft de verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan oplichting, valsheid in geschrift, medeplegen van witwassen en het overtreden van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Het hof legde een gevangenisstraf van vijf jaar op en kende schadevergoedingen toe aan benadeelde partijen. De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafbaarheid van het feit, het aanbieden van effecten zonder prospectus in de periode 2005-2006, ondanks een tussentijdse wetswijziging die de strafbaarheid tijdelijk leek te hebben opgeheven, gehandhaafd blijft vanwege een kennelijke wetgevingsmisslag die later is hersteld. De verdediging kon zich niet beroepen op het ontbreken van strafbaarheid in die periode.
Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn voor het indienen van cassatie is overschreden, waardoor de Hoge Raad de straf heeft verlaagd. De vorderingen van benadeelden zijn deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard, waarbij het hof voldoende motivering gaf. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof omtrent de toegewezen schadevergoedingen.