Conclusie
Personenauto's:
Sieraden:
Geldbedragen:
Wapens:
Honden:
Andere op waarde te waarderen roerende goederen:
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft bevestigd, aangezien het vonnis innerlijk tegenstrijdig is doordat het onder 1 bewezen verklaarde is gekwalificeerd als “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, terwijl bewezen is verklaard dat de verdachte voorwerpen heeft witgewassen, terwijl die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt.
tweede middelbevat de klacht dat het hof in strijd met art. 423 Sv Pro het vonnis niet heeft vernietigd, aangezien uit het arrest van het hof bezwaarlijk anders kan volgen dan dat het hof een andere beslissing heeft genomen ten aanzien het bewezen verklaarde en de bewijsmotivering dan de rechtbank. Daartoe wijst de steller van het middel op de beslissingen die het hof heeft genomen omtrent het beslag en de motivering daarvan.
derde middelricht zich met verschillende klachten tegen de motivering van het oordeel dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn, in het licht van het in hoger beroep aangevoerde. In de eerste plaats wordt aangevoerd dat de verdachte in hoger beroep een verklaring heeft gegeven voor de foto waarop zijn zoon, omringd door hennepplanten, staat afgebeeld, waardoor de overweging in het bevestigde vonnis dat de verdachte noch bij de politie noch ter zitting over deze foto een verklaring heeft willen afleggen “in de lucht is komen te hangen”. Ten tweede is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het voorhanden hebben van hennep het misdrijf is geweest dat tot de witgewassen voorwerpen heeft geleid, aangezien het voorhanden hebben van hennep geen omzet pleegt te genereren. Ten derde heeft het hof volgens de steller van het middel verzuimd te reageren op hetgeen de raadsman ter zake heeft aangevoerd.
het niet anders kan zijndan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf heeft witgewassen. De redenering waarbij ‘het niet anders kan zijn’ dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, past bij een bewijsconstructie waarbij geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Naar vaste rechtspraak kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is", indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. [7] Dit geldt niet alleen voor contante geldbedragen, maar eveneens voor (andere) voorwerpen. [8]
vierde middelneemt tot uitgangspunt dat de bewijsvoering is gebaseerd is op “een interpretatie van het uitgavenpatroon, tegen de aanname dat de verdachte geen (kenbare) legale inkomsten zou hebben gehad”. Zoals blijkt uit de toelichting, klaagt dit middel dat het oordeel dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn in het licht van hetgeen ter zitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onvoldoende met redenen is omkleed.