Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
Vereinbarungopgesteld en op 20 januari 2005 aan Het Anker doen toekomen. Het Anker heeft deze akte niet ondertekend, evenmin als een andere, nadien door Montis aan haar voorgelegde akte.
2.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
onderdeel 2.2van het incidenteel middel behoeft de Hoge Raad in de huidige zaak niet meer te beslissen over de klacht van Montis over de verhouding tussen het formaliteitenverbod in art. 5 lid 2 BC Pro, hetgeen in art. 2 lid 7 in Pro verbinding met art. 7 lid 4 BC Pro is bepaald over de minimumduur van de bescherming van werken van toegepaste kunst en de vervalregeling in art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW. Als gevolg van de intrekking van
onderdeel 2.5van het incidenteel middel is ook niet meer aan de orde de klacht van Montis dat, ware het anders, sprake zou zijn van een volgens art. 18 VWEU Pro ontoelaatbare discriminatie tussen ingezetenen van twee of meer lidstaten van de EU [14] .
nietis vervallen, hetgeen, gelet op art. 37 Auteurswet Pro, een auteursrechtelijke bescherming van het werk meebrengt tot 70 jaar na de dood van de maker. Volgens Montis had het hof in het tweede tussenarrest niet mogen terugkomen op deze eindbeslissing.
onderdeel 2.3van het incidenteel cassatiemiddel tracht Montis langs een andere route het door haar beoogde doel (te weten: een auteursrechtelijke bescherming van het model Charly tot 70 jaar na de dood van de auteur en niet slechts tot 25 jaar na de vervaardiging van dit werk) te bereiken. De rechtsklacht houdt in dat het hof (met name in rov. 2.28 van het tweede tussenarrest) heeft miskend dat wanneer het stoelmodel Charly voor het eerst is gepubliceerd in Duitsland, zoals het hof heeft aangenomen, dat ‘werk van toegepaste kunst’ in Duitsland auteursrechtelijk is beschermd. Deze constatering brengt volgens Montis mee dat, ingevolge art. 51 lid 1 Aw Pro, zoals deze bepaling moet worden verstaan in het licht van art. 10 lid 2 van Pro Richtlijn 2006/116 [18] , een in Nederland vervallen auteursrechtelijke bescherming van dit werk is herleefd toen art. 51 lid 1 Aw Pro in werking trad. Eenmaal herleefd, blijft de auteursrechtelijke bescherming dan voortduren tot 70 jaar na de dood van de auteur. Een beperking als bedoeld in art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW kan daaraan niet afdoen. Volgens de klacht heeft het hof nagelaten de rechtsgronden in deze zin aan te vullen, hoewel de rechter volgens art. 25 Rv Pro steeds tot aanvulling van rechtsgronden verplicht is.
acte clair.
eerste klachtvan Montis, onder 2.7.1 − 2.7.2, houdt in dat het hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan haar vordering met betrekking tot de gederfde winst. Dit vereist een korte toelichting. In eerste aanleg had Montis, onder meer, gevorderd een veroordeling van Het Anker om aan Montis:
verkocht. Voorts kan volgens Het Anker niet staande worden gehouden dat Montis voor iedere stoel die Het Anker heeft ingekocht, zelf een stoel van het model Charly of Chaplin zou hebben verkocht: het gaat om een heel andere prijs- en kwaliteitsklasse en bovendien werkt de meubelbranche met vaste toeleveranciers en wederverkopers [28] .
van Montisper verkocht exemplaar, vermenigvuldigd met het aantal door Het Anker ingekochte exemplaren van een ongeoorloofde verveelvoudiging van het beschermde werk. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat het hof hiermee buiten de grenzen van het debat tussen partijen treedt. Daarnaast klaagt Montis dat deze uitleg van de vordering onbegrijpelijk is: ook Het Anker heeft de vordering opgevat zoals zij door Montis was bedoeld. Deze klacht treft ook de afwijzing van dit gedeelte van de vordering in rov. 2.22 en 2.23 [29] . Het Anker heeft zich ten aanzien van deze klacht gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad [30] .
tweede klachtvan Montis, onder 2.7.3, houdt in dat het hof ten onrechte de gevorderde dwangsomsanctie onbesproken heeft gelaten. Deze motiveringsklacht mist feitelijke grondslag voor zover het gaat om het in de inleidende dagvaarding onder C genoemde
recall-bevel: nu het hof van oordeel was dat dit gevorderde bevel niet toewijsbaar was [31] , kwam het hof niet toe aan een dwangsomsanctie voor overtreding van zo’n bevel. Wat betreft de onder B gevorderde opgaaf, heeft het hof dit gedeelte van de vordering in een aangepaste vorm toegewezen. Uit de motivering blijkt niet waarom het hof de gevorderde – immers mede op dit onderdeel van de vordering betrekkende hebbende – dwangsomsanctie achterwege heeft gelaten. In zoverre acht ik de motiveringsklacht gegrond [32] .
derde klachtvan Montis, onder 2.7.4, houdt in dat het hof ten onrechte de gevorderde vergoeding van
immateriëleschade heeft afgewezen. Naast de hiervoor besproken vordering tot vergoeding van materiële schade, had Montis in de inleidende dagvaarding onder E gevorderd:
nietdoor de inbreukmaker in de handel zouden zijn gebracht en de rechthebbende, als ondernemer, een keuze zou hebben gehad om naar eigen inzicht:
immateriëleschade gewezen op mogelijke ontevredenheid van klanten van Het Anker, die negatief afstraalt op de goede reputatie van Montis en haar modellen; ook heeft zij gewezen op een mogelijke vermindering van de waarde van haar auteursrecht [47] . In het petitum heeft Montis voorgesteld, de “immateriële schade” te begroten op de gemiddelde winst van Montis, vermenigvuldigd met het aantal door Het Anker ingekochte dan wel geproduceerde ongeoorloofde verveelvoudigingen van het auteursrechtelijk beschermde werk. Zoals Het Anker in haar schriftelijke toelichting in cassatie terecht opmerkt, zijn mogelijkheden voor toekenning van een vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade wettelijk beperkt. De stellingen van Montis boden, gelet op art. 6:106 BW Pro, het hof geen ruimte om een vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade aan Montis toe te kennen. De slotsom is dat de klacht onder 2.7.4 faalt.
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel 5klaagt Het Anker over de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding en/of winstafdracht. In toelichting op haar klacht neemt Het Anker tot uitgangspunt dat Montis ter onderbouwing van dit gedeelte van de vordering had gesteld dat voor elke stoel van dit model die Het Anker heeft verkocht, Montis één stoel minder heeft verkocht [53] . Het Anker heeft de gestelde één op één-verhouding betwist. In dit verband heeft Het Anker nader aangevoerd dat partijen op verschillende markten opereren: de consumentenprijs van de Charly en de Chaplin van Montis is ongeveer zes maal zo hoog als die van de stoelen van Het Anker; de beschermde stoelen van Montis zijn vervaardigd uit een ander soort leder dan het materiaal van de stoelen van Het Anker. Verder stelde zij dat de meubelbranche steevast met vaste toeleveranciers en wederverkopers werkt en dat deze lijnen niet te doorbreken zijn. Ten slotte heeft Het Anker naar voren had gebracht dat Montis niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de verkopen door Het Anker, mede in aanmerking genomen haar eigen stelling dat de Charly en de Chaplin 27 jaar nadat zij op de markt werden gebracht nog 30% van de omzet van Montis opleveren. De klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat schadevergoeding en winstafdracht wegens een auteursrechtinbreuk slechts kunnen worden toegewezen indien het bestaan van schade aannemelijk is en bovendien sprake is van oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het verweten onrechtmatige handelen. Voor zover het hof deze regel niet heeft miskend, is het oordeel dat het bestaan van schade aannemelijk is en dat sprake is van causaal verband, onvoldoende gemotiveerd. Tot zover de klacht.
enigeschade in de vorm van winstderving heeft geleden als gevolg van de inbreuken door Het Anker op haar auteursrecht in het tijdvak vóór 2008. Voor zover de gestelde schade bestaat uit gederfde winst, was het hof op grond van art. 6:97 BW Pro gehouden de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Het hof is klaarblijkelijk van oordeel dat de markten waarop of marktsegmenten waarin partijen werkzaam zijn niet zo scherp van elkaar te scheiden zijn dat het ongeoorloofd verkopen van verveelvoudigingen van het beschermde werk op de ene markt (of in het ene marktsegment) geen enkele negatieve invloed heeft gehad op de omzet of winst van de rechthebbende uit verkopen van verveelvoudigingen van dit werk op de andere markt (of in het andere marktsegment). Tot zover geeft het oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
in abstractoeen indicatie van de behoeften van consumenten aan de aanschaf van stoelen die uiterlijk een verveelvoudiging zijn van het auteursrechtelijk beschermde werk.
In concretowordt de aankoopbeslissing bepaald door meerdere factoren, zoals de prijs, de levertijd, de kwaliteit van het gebruikte materiaal, de kleurstelling, de technische uitvoering etc. De stelling dat voor iedere door Het Anker verkochte inbreuk makende stoel Montis een stoel van het model Charly of Chaplin zou hebben verkocht voor de bij Montis gangbare prijs, spreekt daarom niet voor zich. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Het Anker, mocht het hof niet zonder nader onderzoek, althans zonder nadere motivering, afgaan op de juistheid van deze stelling van Montis.