Conclusie
3.Achtergronden van de zaak
6.Het gedoogbeleid
14.Bespreking cassatiemiddel
middelbehelst de klacht dat het hof een gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden, heeft verworpen. Het middel valt uiteen in een drietal klachten.
eerste klachtwordt gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, aangezien het hof ten onrechte het I-criterium heeft getypeerd als een door het College van procureurs-generaal bevoegdelijk toegepaste vormgeving van het opportuniteitsbeginsel als bedoeld in artikel 167, tweede lid, Sv. Nu het louter toegang verlenen tot een coffeeshop aan ingezetenen kan leiden tot vervolging en bestraffing, is bovendien sprake van strijd met het bepaalde in artikel 89, tweede lid, Grondwet, dat inhoudt dat voorschriften door straffen te handhaven alleen kunnen worden gegeven krachtens de wet.
tweede klachtheeft het hof miskend dat de toepassing van het ingezetenencriterium neerkomt op ongerechtvaardigde discriminatie in de zin van artikel 1 van Pro de Grondwet, artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol behorende bij het EVRM. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat de steller van het middel voorts doelt op artikel 21 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
derde klachthoudt in dat sprake is van schending van het verbod van willekeur. Nu andere gemeenten het ingezetenencriterium niet hanteren en daar geen vervolging plaatsvindt in een geval als hier aan de orde, doet zich de situatie voor dat geen redelijk denkend officier van justitie tot vervolging zou overgaan, aldus de steller van het middel.