Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De achtergrond van de zaak
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak staat het ingezetenencriterium centraal, dat sinds 1 januari 2013 geldt binnen het Nederlandse coffeeshopbeleid en inhoudt dat coffeeshops alleen mogen verkopen aan ingezetenen van Nederland. Dit criterium is ingevoerd om drugstoerisme en de daarmee samenhangende overlast tegen te gaan, met name in grensregio's zoals Maastricht.
De verdediging stelde dat het ingezetenencriterium onrechtmatig is omdat het buiten de bevoegdheid van het College van procureurs-generaal zou zijn vastgesteld, in strijd is met EU-recht en discriminatieverboden, en dat het Openbaar Ministerie daardoor niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat het criterium passend en proportioneel is, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Josemans tegen de burgemeester van Maastricht.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en overweegt dat het ingezetenencriterium een gerechtvaardigde maatregel is om drugstoerisme te beperken en de openbare orde te beschermen. Ook het verwijt van willekeur in de vervolging wordt verworpen, aangezien het OM en de burgemeester van Maastricht het criterium op grond van landelijk en lokaal beleid rechtmatig toepassen. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het ingezetenencriterium is rechtmatig en het OM is ontvankelijk in de vervolging.