Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De verdachte, verhuurder van een woning, nam op 1 september 2009 goederen mee van een huurder door gebruik te maken van een reservesleutel en het vervangen van het slot, waardoor de huurder geen toegang meer had. Hij beriep zich op een zogenaamd retentierecht om de goederen vast te houden.
Het hof oordeelde dat de verdachte door als heer en meester te beschikken over de goederen handelde met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Het feit dat hij dit deed met de bedoeling de huurder tot nakoming van een verplichting te bewegen, doet hieraan niet af.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. Het hof had het bewijs, waaronder verklaringen van verdachte en huurder en politieprocessen-verbaal, voldoende gemotiveerd geacht. De verdachte was niet gerechtigd het slot te vervangen omdat de huurovereenkomst nog geldig was en er geen calamiteit was.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat het beroep faalt, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor wederrechtelijke toe-eigening.