Conclusie
exhibitie van IE-bewijsbeslagen in de slipstream daarvan over de reikwijdte van kwekersrechtelijk “te koop aanbieden”.
andere exhibitievorderingvan AIB, namelijk tot inzage en afgifte van bescheiden uit Novisems administratie over verhandeling van de drie knolselderij-rassen [2] . Deze exhibitievordering is door AIB specifiek beperkt tot “die bescheiden waarvan reeds door middel van concrete feiten en omstandigheden vaststaat dat daaruit direct informatie over de gestelde inbreuk valt te deduceren” [3] . Dat maakt het verloop van deze exhibitiezaak a-typisch.
2.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
bodemzaakaanhangig gemaakt bij de Haagse rechtbank [11] .
bewijsbeslaggegrond op art. 705 Rv Pro. Ten aanzien van de
exhibitievorderingneemt het hof bevoegdheid aan, omdat deze vordering zelfstandig kan worden ingesteld, ook in kort geding, en niet dient te worden aangemerkt als een vordering tot handhaving van kwekersrecht [12] . Daar is weinig tussen te krijgen. Een art. 843a Rv-vordering kan zelfstandig of bij wijze van incident worden ingesteld [13] . Voor een uitzondering hierop bij de toepassing van art. 1019a Rv zie ik geen aanleiding. De exhibitievordering in dit geding staat op zichzelf, al vormt dit een voorfase van de – praktisch tegelijkertijd (respectievelijk 3 en 4 april 2013) – ingestelde kwekersrechtelijke handhavingsvordering bij de Haagse rechtbank. Het hof heeft zich dus terecht bevoegd geacht.
onderdeel 1.3dat het voor exhibitie eisen dat (dreigende) inbreuk voldoende aannemelijk wordt gemaakt, een te strenge maatstaf is. De rechtmatig belang-vraag hangt niet af van de merites van de gepretendeerde vordering in de bodemzaak. Ook “staving van haar vordering” is voor de eisende partij zo’n rechtmatig belang, terwijl een art. 843a Rv-vordering er ook toe kan strekken om opheldering te krijgen over de voor een te starten inbreukzaak van belang zijnde feiten en om de beoogde eiser in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen. Voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv volstaat volgens dit onderdeel dat de
rechtsbetrekking voldoende onderbouwd is gesteld.
onderdeel 1.4onjuist, omdat dit lid 4 door art. 1019a lid 3 Rv is uitgeschakeld. Bovendien is dat dan onbegrijpelijk, omdat het hof niet kenbaar heeft gemaakt welke gewichtige redenen in de weg zouden staan aan toewijzing van de vordering van AIB. De enkele omstandigheid dat exhibitie een ingrijpende actie zou zijn, kan niet gelden als zo’n ingrijpende reden volgens deze klacht.
onderbouwd stellenhier niet. Het hof heeft volgens mij het in het voetspoor van het Haagse hof (en net als het Amsterdamse hof eerder al deed) de juiste drempel van
gerechtvaardigd vermoeden van (dreigende) inbreukaangelegd. Dat is een lichtere maatstaf dan het
kort geding inbreukverbod-criterium (prognose uitkomst bodemzaak)en komt in de buurt van de maatstaf voor toestaan van IE-bewijsbeslag uit art. 1019b lid 1 Rv van
voldoende aannemelijk maken van dreigende inbreuk, maar ligt daar volgens mij weer net iets boven (omdat anders de maatstaf voor IE-bewijsbeslag
verlofgelijk zou zijn aan die voor
exhibitiein een IE-zaak en strikt genomen een nadere exhibitietrap nauwelijks nodig zou zijn, althans niet zou verschillen met de beslagverloftoets, een stelsel dat zou doen denken aan het Franse
saisie contrefaçon, als ik dat goed taxeer [15] ).
reële vordering, waarbij een inbreuk voorshands voldoende aannemelijk is gemaakt, maar waarbij de precieze aard of omvang van de inbreuk niet kan worden vastgesteld zonder aanvullend bewijsmateriaal. Voorkomen moet worden dat deze vordering uitmondt in zogenaamde “fishing expeditions” die eiser in de gelegenheid zouden stellen rond te neuzen in de onderneming van zijn concurrent onder het mom van het opvragen van allerlei “bewijs” [19] .
“rechtmatig belang” uit art. 1019aRv, dus in IE-zaken, heeft Uw Raad zich nog niet kunnen uitlaten.
“rechtmatig belang” uit art. 843a Rvvalt het volgende te ontlenen. Die is kritischer dan de hoofdstroom in de literatuur.
slechts aannemelijkbehoeft te worden gemaakt. Of dit impliceert dat de eisen aan de stelplicht in dit verband wezenlijk anders zijn, is volgens hem maar zeer de vraag, omdat het door art. 843a Rv vereiste “rechtmatig belang” mogelijk wordt ingevuld met de aannemelijkheidseis [44] .
art. 1019a-jurisprudentie(dus in IE-context) over “rechtmatig belang” kan als volgt worden samengevat. Er is sprake van een “rechtmatig belang” als er concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd die
een redelijk vermoeden van inbreukkunnen dragen, waarbij de aangevoerde feiten en omstandigheden worden onderbouwd met redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal [48] . De drempel voor een exhibitievordering is lager dan die voor toewijzing van een inbreukverbod in kort geding.
nietvan belang zijn. Zowel uit art. 6 Handhavingsrichtlijn Pro als uit de parlementaire geschiedenis, de hoofdstroom van de (lagere [52] ) rechtspraak en het minderheidsstandpunt in de literatuur volgt juist het tegenovergestelde. Vereist is ook volgens mij een voldoende onderbouwing om een exhibitie volgens art. 1019a Rv te rechtvaardigen. Belangrijk gezichtspunt is dat men naar Duits recht ook zo oordeelt [53] . Het moet gaan om een reële vordering ter voorkoming van
fishing expeditions. Het hof heeft dat uitdrukkelijk onderkend. Aan de enkele passage uit de toelichting op het aanhangige wetsvoorstel dat art. 843a Rv beoogt te vervangen, komt wat mij betreft onvoldoende tegenwicht toe – alleen al omdat het voorstel nog niet door de Tweede Kamer is. Uit de prejudiciële zaak over bewijsbeslag in niet-IE-zaken volgt dat in dat soort zaken de (hoofd)vordering voldoende aannemelijk moet zijn. Als dit bij IE-zaken anders zou zijn, zou voor een exhibitievordering in IE-zaken een lichtere maatstaf gelden dan voor exhibitie van niet-IE-bewijsbeslag en daar ontbreekt een aansprekende ratio voor. De literatuurstroming die een lichtere maatstaf bepleit, lijkt door Uw Raad in genoemd arrest achterhaald; althans kan de bepleite lagere drempel vanwege de duidelijke echo van de Handhavingsrichtlijn niet overstemmen bij exhibitie in een IE-zaak als de onze.
onderdeel 2.1.4het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de door het hof in rov. 4.8.4 aangegeven door AIB ingeroepen omstandigheden, te weten het aanbieden van een prijslijst met de beschermde rassen en de verklaringen daarover van [betrokkene 1] in prods. 20 en 24: verkoopmanager [betrokkene 7] van Grow Group ontvangt in augustus 2012 een prijslijst met onder meer knolselderijrassen Brilliant en Diamant, waarbij mondeling was aangegeven dat deze rassen nog niet voor Nederland beschikbaar waren, op 21 december 2012 heeft [betrokkene 1] een gesprek gehad met directeur [betrokkene 2] van Novisem, die hem aangaf de beschermde rassen nog niet in Nederland te kunnen aanbieden, dat zou pas in de loop van het volgende jaar kunnen na expiratie van de kwekersrechten.
onderdeel 2.1.5de afwijzing van de exhibitievordering in rov. 4.8.4 op de grond dat het enkele feit dat in gesprekken tussen Novisem en potentiële kopers kwekersrechten ter sprake komen, omdat dat nog geen inbreuk oplevert, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het is immers niet gebleven bij gesprekken waarin de door het kwekersrecht beschermde rassen ter sprake kwamen, maar er is ook een prijslijst door Novisem aan Grow Group toegezonden waarop de kwekersrechtelijk beschermde knolselderijrassen zijn vermeld.
onderdeel 2.1.7blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof heeft dan miskend dat AIB inzage in en afschrift heeft gevorderd van
allegegevens uit de administratie etc. van Novisem die zien op verhandeling van de kwekersrechtelijk beschermde knolselderij. Verder heeft het hof miskend dat AIB bij inbreuk door Novisem in de vorm van te koop aanbeiden aan Grow Group ook rechtmatig belang heeft bij exhibitie die andere transacties met andere afnemers betreft, zodat AIB kan verifiëren of Novisem niet ook aan andere partijen te koop heeft aangeboden.
onderdeel 2.1.8verder blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof, veronderstellenderwijs aannemende dat wel sprake is van kwekersrechtinbreuk, meent dat dat een minimale vorm zou betreffen die geen exhibitie rechtvaardigt. Kwekersrecht kent geen onderscheid naar “sterke” of “zwakke” inbreuken. Gedogen van “zwakke” inbreuk door de rechter kan niet, aldus deze klacht. Althans heeft het hof miskend dat óók in geval van een “heel zwakke inbreuk” kan en moet worden aangenomen dat (dreigende) inbreuk voldoende aannemelijk is en/of een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk bestaat (en/of “redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal is overgelegd” als bedoeld in art. 6 lid 1 Handhavingsrichtlijn Pro), zodat “rechtmatig belang” uit art. 843a Rv aanwezig is. Daarmee is het hof dan buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, omdat – zoals het hof heeft vastgesteld in rov. 4.7.4 – tussen partijen niet in geschil is dat als er een redelijk vermoeden van een (dreigende) inbreuk bestaat, AIB recht heeft op inzage in de op die inbreuk betrekking hebbende bescheiden.
schadelijk voor de nieuwheidvan het ras het ongeautoriseerd verkopen of anderszins ter beschikking stellen van het ras aan derden, met het oog op exploitatie van het ras. De wetgever overwoog in dit kader dat schending van de nieuwheid niet zozeer volgt uit de commercialisatie van het ras als zodanig, maar uit het feit dat (delen van) planten voor derden vrij beschikbaar komen. Het begrip “met het oog op exploitatie” beoogt buiten twijfel te stellen dat zelfs
vermeerderingscontracten, gesloten voorafgaand aan de introductie van een ras op de markt, geen invloed hebben op de nieuwheid, aangezien ook in die gevallen geen sprake is van vrije beschikbaarheid van het rasmateriaal bij de vermeerderaar in kwestie [58] . Tegen deze achtergrond acht Van der Kooij het verdedigbaar dat
ook het te koop aanbieden in het kader van de inbreukvraag in het kwekersrecht beperktmoet worden uitgelegd en wel in de zin dat daar alleen sprake van is bij “ondubbelzinnig te koop aanbieden van teeltmateriaal voor Nederland gedurende de looptijd van het kwekersrecht, ten einde dit aanstonds na het einde van het kwekersrecht te leveren”. De opsomming in art. 1 onder Pro g ZZP wijst volgens hem in die richting. Voor deze interpretatie pleit volgens hem ook het gegeven dat het “voor een of ander aan te bieden” in art. 53 lid 1 ROW Pro terminologisch en grammaticaal gezien ruimer zou zijn dan het specifiekere “te koop aanbieden” in art. 1 onder Pro g ZZP, omdat dit naar verschillende handelingen verwijst. Het ondubbelzinnig te koop aanbieden van teeltmateriaal gedurende de looptijd van het kwekersrecht, om dit aanstonds na het einde van het kwekersrecht te leveren valt dus wel onder “te koop aanbieden”, omdat men dan kennelijk de verwachting of de overtuiging heeft dat men op het moment van afloop van de bescherming al over het voor de verkoop benodigde teeltmateriaal zal kunnen beschikken. De mededeling van Novisem aan Grow Group kan volgens Van der Kooij niet worden beschouwd als het aanbieden van teeltmateriaal gedurende de beschermingstermijn met het oog op levering na afloop daarvan. Dat is alleen een neutrale kennisgeving van het feit dat het kwekersrecht op een bepaald moment teneinde zal komen.
nieuwheidis van een andere orde; dat argument uit de opinie van Van der Kooij acht ik niet overtuigend. Bij navolging van deze ruime leer is dan sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van inbreuk en gaat de deur van het exhibitiehuis open. Er is in deze zaak voldoende twijfel om je gerechtvaardigd af te kunnen vragen of hier geen sprake is van aanbieden op termijn, zodat een gerechtvaardigd vermoeden van (dreigende) in breuk aanwezig is. Dan kan je wel zeggen: dat is het domein van de feitenrechter, maar die moet wel een faire maatstaf hanteren. Dat lijkt hier niet te zijn gebeurd, zodat de klachten in essentie slagen.
niet over inbreuk, maar over geldigheid, maar het bevat een uitleg van wat kwekersrechtelijk
in die sleutelonder “te koop aanbieden” werd verstaan. De zaak betreft een beroep tegen de beschikking van de Raad voor het Kwekersrecht waarin de aanvraag tot verlening van kwekersrecht was afgewezen omdat vóór de aanvrage in folders en prijslijsten teeltmateriaal te koop was aangeboden en dus geen sprake was van een nieuw ras in de zin van art. 29 ZZP Pro (oud) [60] . De Afdeling van Beroep heeft het beroep onder meer hierop afgewezen:
subonderdeel 2.2.4is het oordeel van het hof dat aan een eventuele inbreuk geen grote betekenis kan worden toegekend rechtens onjuist, althans is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd op de gronden als vermeld in de onderdelen 2.1.8-2.1.10.
3.Beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
mogelijkelezingen van enkele deeloverwegingen van het hof [63] . Ik denk dat deze klachten niet opgaan, omdat zij gericht zijn tegen overwegingen ten overvloede of uitgaan van een voor Novisem gunstige opvatting over exhibitie, die ik blijkens mijn beschouwingen over het principaal beroep niet deel.
anders dan bij wege van een overweging ten overvloede, heeft overwogen dat sprake is van een inbreuk op de door AIB ingeroepen kwekersrechten, zijn oordeel onbegrijpelijk is, omdat uit de beslissingen van het hof juist de conclusie voortvloeit dat geen sprake is van inbreuk op de betrokken kwekersrechten.
in de veronderstelde lezing van meergenoemde passageuitgaat van een onjuiste rechtsopvatting van de kwekersrechtelijk voorbehouden handeling “te koop aanbieden”. Daarvoor dient de beweerdelijk inbreukmaker beschermde rassen immers ondubbelzinnig te koop aan te bieden gedurende de looptijd van het kwekersrecht met het oog op de exploitatie van het ras. Daarvoor is de enkele vermelding van beschermde rassen op een prijslijst onvoldoende.
Onderdeel 2.ameent dat
als de passage niet moet worden gelezen als een overweging ten overvloede, het oordeel van het hof dat sprake is van inbreuk op de door AIB ingeroepen kwekersrechten in het licht van zijn overige beslissingen onbegrijpelijk is.
onderdeel 2.bde betekenis van “te koop aanbieden” miskend.
4.De proceskosten in het principale en het incidentele cassatieberoep
volledigeproceskosten zou toekomen. Bij de verwijzing naar voornoemd arrest van 26 september 2014 miskent AIB volgens Novisem ook dat een proceskostenveroordeling niet vergelijkbaar is met een aanspraak van de benadeelde op kosten ter verkrijging van voldoening
buiten rechtevolgens art. 6:96 lid 2 BW Pro. Deze buitengerechtelijke kosten komen immers niet voor vergoeding in aanmerking, voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Ten slotte komt de fee niet voor vergoeding in aanmerking omdat AIB de omvang van deze extra vergoeding niet heeft toegelicht of gespecificeerd.