Conclusie
1.Feiten
Garantiesom
2.Procesverloop
3.Bespreking van de klachten
Onderdeel 1is gekant tegen rov. 8.8.6 waarin het Hof in het midden laat of DMB de overeenkomst met [eiseres] c.s. op goede gronden heeft ontbonden. Het onderdeel waaiert uit in drie subonderdelen. ’s Hofs oordeel zou onverenigbaar zijn met hetgeen eerder in rov. 8.7.1 en 8.7.2 is overwogen. Kort gezegd: bij de beoordeling van het handelen van [verweerster] in de onderhavige zaak had het handelen van DMB mede aan de orde moeten komen (
onderdeel 1.1). Het Hof zou voorts hebben miskend dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat de overeenkomst niet op goede gronden is ontbonden en dat zulks derhalve uitgangspunt is, tenzij een daartegen gerichte grief van [verweerster] zou slagen (
onderdeel 1.2). Tot slot zou het Hof ten onrechte een aantal essentiële stellingen hebben gepasseerd, met de juistheid waarvan de tekortkoming van DMB in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst van 21 december 2007 met [eiseres] c.s. zou vaststaan (
onderdeel 1.3).
onderdeel 3.1geformuleerde klacht bouwt voort op het voorafgaande onderdeel en moet het lot daarvan delen.
mogelijkeaanspraak van € 300.000 hadden op DMB en dat gelet hierop hooguit geconcludeerd zou kunnen worden dat door het sluiten van de “intentieovereenkomst” aan [eiseres] c.s. de
kansop een vergoeding van dit bedrag is ontnomen. Het brengt eens te meer mee dat sprake moet zijn van bijkomende omstandigheden vooraleer het etiket onrechtmatig handelen kan worden geplakt. Het onderdeel doet zelfs geen poging om uit te leggen welke bijkomende omstandigheden het Hof tot een ander oordeel hadden moeten brengen, laat staan waar in feitelijke aanleg beroep op dergelijke omstandigheden is gedaan.
onderdeel 4.1beklagen [eiseres] c.s. zich er in de eerste plaats over dat het Hof “een grondslag van hun vordering” volledig onweersproken heeft gelaten. Het neemt niet de moeite aan te geven wat die grondslag in zou houden, maar volstaat met verwijzing naar een aantal “randnummers” in de memorie van antwoord.
onderdeel 4.2richt pijlen op rov. 8.9.2 waarin het door [eiseres] c.s. gedane beroep op de door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregel dat wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden die aan dit rechtsverkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, het hem niet onder alle omstandigheden vrijstaat de belangen te verwaarlozen die genoemde derden bij behoorlijke nakoming van het contract hebben. [14] Volgens het onderdeel is niet in te zien waarom een beroep op deze arresten alleen mogelijk zou zijn als [verweerster] partij zou zijn geworden bij de overeenkomsten van 14 maart 2007 en/of 21 december 2007. Toen [verweerster] op 6 juli 2009 de overeenkomst met Compaen en DMB aanging, maakten [verweerster] en [eiseres] c.s. deel uit van dezelfde contractuele keten, al zou dat maar een ongedeeld tijdsmoment zijn geweest.
overeenkomstvan
6juli 2009 wordt gedoeld en nog minder waarom [verweerster] daarbij partij was (al dan niet voor een ongedeeld tijdsmoment). Het onderdeel doet ook geen beroep op enige passage in de dingtalen waar iets nuttigs (ik bedoel: iets wat
feitelijkhanden en voeten heeft) op dit punt is aangevoerd. [15] Reeds daarin vindt het onderdeel zijn Waterloo.
voldoendeheeft aangetrokken. Dat oordeel kan moeilijk anders worden begrepen dan dat de vorderingen van [eiseres] c.s. hoe ook niet op de beoogde grondslag kunnen worden toegewezen.