Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
ophet moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst, maar veeleer
naarhet moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst. Het is naar het oordeel van belanghebbende dan ook zeer wel mogelijk ten tijde van de afgifte van de beschikking in 2013 te beoordelen of (reeds) in 2011 aan de criteria voldaan wordt die daaraan in 2013 worden gesteld.
4.De 30%-bewijsregeling; specifieke deskundigheid
Rb. Breda 7 juni 2007, nr. AWB 06/4335, V-N 2007/2.4V-N 2007/2.4. In de uitspraak werd beslist dat het toepassen van de regeling met terugwerkende kracht niet mogelijk is op grond van het gelijkheidsbeginsel. De belanghebbende beriep zich daarop omdat andere werknemers de regeling wel genoten en het enige verschil was dat die wel op tijd de aanvragen hadden ingediend. Daaraan deed niet af dat de belanghebbende om toepassing van de regeling had gevraagd zodra hij daar wegens een beleidsverandering alsnog voor in aanmerking kwam. Vanaf dat moment was de regeling echter wel toepasbaar. NB: Naar analogie met art. 10eg c.q. 10ef, lid 1, wordt de looptijd van acht jaar dan echter verminderd met de tijd dat de werknemer al in Nederland werkt.
5.Beoordeling van de middelen
datmoment ‘baat bestaat bij de faciliteit’. Of daarvan sprake is, valt alleen te beoordelen vanuit de regelgeving zoals die op dat moment geldt. [17]