Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
In de slotzinsnede van het eerste lid is bepaald dat een verzoek om voortzetting van de bewijsregel niet kan worden gedaan indien een werknemer er langer dan drie maanden over heeft gedaan een nieuwe dienstbetrekking te vinden. De reden hiervoor is dat de deskundigheid van de ingekomen werknemer dan kennelijk minder schaars is, zodat hij niet meer voor toepassing van de bewijsregel kwalificeert, terwijl in dat geval ten aanzien van de nieuwe werkgever de werknemer niet meer wezenlijk als ingekomen kan worden beschouwd.’
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, rechtspraak en literatuur
Wetgeving
BNB2014/156 heeft de Hoge Raad zijn oordeel, dat niet langer aan het vereiste van schaarse specifieke deskundigheid van de werknemer wordt voldaan indien de termijn van drie maanden is overschreden, herhaald. De Hoge Raad overwoog: [11]
BNB2006/264 oordeelde de Hoge Raad ter zake van de 35%-regeling (thans de 30%-regeling) dat de vraag of een ingekomen werknemer specifieke deskundigheid bezit, beoordeeld dient te worden naar het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad overwoog: [13]