Conclusie
eerste middelwordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de op te leggen straf vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase met ‘slechts’ drie maanden dient te worden verminderd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de beslissing om met die vermindering te volstaan ontoereikend is gemotiveerd. De redelijke termijn is in de (eerste) cassatiefase namelijk met zeven maanden overschreden en de Hoge Raad hanteert in cassatie het uitgangspunt dat een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een vermindering van de op te leggen straf met 10%, met een maximum van zes maanden. [1]
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten een beslissing te nemen met betrekking tot een groot gedeelte van de inbeslaggenomen goederen.