3.8.De bewezenverklaring is door het hof met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd (p. 3-8 van het bestreden arrest). Daarnaast heeft het hof in het arrest nadere bewijsoverwegingen opgenomen. Deze bewijsoverwegingen houden het volgende in:
“
Algemene overweging
Het hof stelt voorop dat selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Dit betekent dat ingeval het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, het aan het hof is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Oordeel van het hof
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 26 maart 2015 samen met anderen betrokken is geweest bij het opzettelijk vervaardigen van amfetamine in de woning, gelegen aan de [a-straat 1] te Well. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
In de woning [a-straat 1] te Well werd amfetamine geproduceerd; er is immers een geheel van voorwerpen, grondstoffen en instructies aangetroffen die wijzen op de productie van amfetamine én er is amfetaminebase aangetroffen. Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat ook op 26 maart 2015 amfetamine werd geproduceerd. Ter zake van de in de woonkamer (ruimte A) aangetroffen stoomgenerator blijkt namelijk dat middels een warmtebeeldcamera is vastgesteld dat deze een temperatuur had van ongeveer 43 °C. Dit duidt er op dat de aangetroffen productieopstelling recent is gebruikt ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie).
Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de locaties waar DNA- en dactyloscopische sporen zijn aangetroffen - direct gerelateerd aan het productieproces van amfetamine en op voorwerpen die daarmee verband houden - leidt het hof af dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] directe werkzaamheden hebben verricht voor de productie van amfetamine in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well.
Het hof leidt uit de omvang van het laboratorium en de aard van de sporen af dat sprake was van productie die overleg en op elkaar afgestemd handelen vergde. Dat merkt het hof aan als medeplegen. In dit verband overweegt het hof nog dat het weliswaar sporen betreft die zich bevinden op voorwerpen die in beginsel verplaatsbaar zijn, maar dat aan de locatie waar die sporen zijn aangetroffen, zeker gelet op de hoeveelheid, de verscheidenheid en de samenhang, wel degelijk betekenis toekomt, zolang er geen concrete en toetsbare verklaring voor de aanwezigheid op die plaats wordt gegeven.
Uit het feit dat [verdachte] met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] werd aangetroffen in het bos, in de nabijheid van tassen met materiaal dat ook aan het laboratorium gerelateerd kan worden (halfgelaatsmasker, handschoenen) terwijl hij ook in het bezit van zwarte latex handschoenen was acht het hof een aanwijzing dat hij een soortgelijke rol had. Bewezen oordeelt het hof die rol op grond van de transponder die [verdachte] in zijn zak had. Deze “elektrische sleutel” van de poort veronderstelt immers een zekere zeggenschap over de toegang tot het erf en de woning.
[medeverdachte 4] is op 26 maart 2015 in de nabijheid van voornoemde personen en in de directe omgeving van de betreffende woning samen met de medeverdachten aangehouden.
Van [medeverdachte 4] zijn weliswaar geen DNA- of dactyloscopische sporen in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well aangetroffen, maar in de linkerbroekzak van de verdachte zijn wel zwarte latex handschoenen aangetroffen. In de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well zijn eveneens dergelijke handschoenen gevonden. Ook bij de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn zwarte latex/rubber handschoenen aangetroffen. Blijkens het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] lagen in het bosperceel waar [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn aangehouden meerdere (bigshopper) tassen. Ook in deze tassen zijn (diverse) zwarte latex handschoenen aangetroffen. Voorts zijn daarin aangetroffen: halfgelaatsmaskers, een filter en veiligheidsbrillen. Het gaat om voorwerpen die gebruikt kunnen worden in het kader van de productie van synthetische drugs.
Uit het feit dat [medeverdachte 4] met handschoenen en nabij deze attributen en personen is aangetroffen leidt het hof af dat hij een soortgelijke rol vervulde als de anderen.
Uit de hoeveelheid peuken in de zak van [medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat hij heeft geprobeerd voorwerpen die in het algemeen DNA materiaal bevatten te verwijderen van een plaats waar hij zich eerder bevond.
[medeverdachte 3] is weliswaar op een andere plaats aangehouden dan [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , maar de gehuurde auto en de uitslagen van het DNA-onderzoek bewijzen zijn betrokkenheid bij het laboratorium en zijn paspoort (in de spijkerbroek) in de tas die onder [medeverdachte 6] werd aangetroffen bewijst zijn nauwe relatie tot de andere medeplegers, zodat het hof daaruit een soortgelijke rol afleidt.
Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is - zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de pleitnota - het navolgende aangevoerd.
Het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de productie van amfetamine of het voorhanden hebben hiervan is niet geleverd. De bewijsmiddelen zijn namelijk niet exclusief voor het ten laste gelegde en op basis van de bewijsmiddelen kan geen rolverdeling of een concrete bijdrage van de verdachte worden vastgesteld. Om die reden kan het ten laste gelegde (medeplegen) niet worden bewezen. Bovendien is onbekend gebleven wat de verdachte in de nabijheid van het pand aan de [a-straat 1] te Well deed. Gelet op de omstandigheid dat van de verdachte geen dactyloscopische sporen of DNA-materiaal in de betreffende woning is aangetroffen, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in het betreffende pand is geweest. Evenmin kan de verdachte in verband worden gebracht met de in het bosperceel aangetroffen tassen. Uit het DNA-onderzoek dat na het vonnis van de rechtbank heeft plaatsgevonden, blijkt dat op de onderzochte voorwerpen geen DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen. Er zijn aldus verschillende scenario’s mogelijk; was de verdachte op 26 maart 2016 nabij de [a-straat 1] te Well aanwezig als medepleger van het ten laste gelegde, als medeplichtige aan het ten laste gelegde, als afnemer van hetgeen werd geproduceerd of was hij in de buurt zonder enige strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid?
Met betrekking tot de aangetroffen sleutelbos met daaraan een transponderkastje is onbekend gebleven waarom de verdachte die sleutelbos in zijn bezit had en hoe lang hij deze sleutelbos voorhanden had. Bovendien zijn onder de verdachte twee sleutelbossen in beslag genomen. Gelet hierop kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de sleutelbos met het transponderkastje aan de verdachte toebehoorde. Onder de verdachte zouden eveneens zwarte handschoenen zijn aangetroffen. Onder de verdachte is echter ook een blauwe trui aangetroffen met het opschrift 'Dakaccent’. Dit betreft een dakdekkersbedrijf. Volgens het internet betreffen de onder de verdachte aangetroffen handschoenen gewone werkhandschoenen en dat is - gelet op de trui die de verdachte droeg - niet opmerkelijk. Voorts kan de omstandigheid dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd niet aan hem worden tegengeworpen. Er is immers geen sprake van dusdanig bewijs - ruim voldoende bewijs voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde - dat schreeuwt om een verklaring van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat diverse scenario’s zich kunnen hebben voorgedaan; van een situatie waarbij de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de productie van amfetamine tot een omstandigheid dat de verdachte slechts in de buurt was van het betreffende pand en dat geen sprake is geweest van enige strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid bij het aangetroffen drugslaboratorium. Het hof stelt vast dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven over hetgeen aan hem ten laste is gelegd. De diverse scenario’s die van de zijde van de verdediging naar voren zijn gebracht, zijn niet met nadere feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Het hof acht de door de verdediging naar voren gebrachte lezingen van hetgeen zou hebben kunnen plaatsgevonden - en de rol die de verdachte daarbij zou kunnen hebben gespeeld - dan ook niet aannemelijk geworden.
Ter zake van de onder de verdachte aangetroffen transponder waarmee de toegangspoort naar de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well kon worden geopend, stelt het hof vast dat deze transponder bij de insluitingsfouillering van de verdachte is aangetroffen. Nu deze transponder onder de verdachte is aangetroffen, is het hof van oordeel dat de verdachte daarover de beschikking had en dat veronderstelt - zoals hiervoor overwogen - een zekere zeggenschap over de toegang tot het erf en de woning. De omstandigheid dat onder de verdachte ook een andere sleutelbos is aangetroffen, maakt dit niet anders. Dat onbekend is gebleven hoe lang en om welke reden de verdachte de transponder onder zich had doet aan het voorgaande evenmin af.
Bij de fouillering van de verdachte is een paar zwarte PU-flex rubber handschoenen aangetroffen. Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat ook bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] zwarte latex/rubber handschoenen zijn aangetroffen. In de woning alwaar het drugslaboratorium was aangetroffen, zijn ook dergelijke handschoenen aangetroffen. Het gaat om handschoenen die gebruikt kunnen worden in het kader van de productie van synthetische drugs. Ook wanneer de onder de verdachte aangetroffen handschoenen werkhandschoenen betreffen (die ook wel worden gedragen door medewerkers van een dakdekkersbedrijf), doet dit niet af aan de betekenis van het aantreffen van die handschoenen bij de verdachte in de directe omgeving van medeverdachten, die ook zwarte rubber/latex handschoenen bij zich droegen die ook in andere omstandigheden gedragen kunnen worden.
Op 26 maart 2015 en op 28 maart 2015 is de verdachte door de politie gehoord. De verdachte heeft de aan hem gestelde vragen ter zake van hetgeen aan hem ten laste is gelegd niet beantwoord. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte geen verklaring afgelegd.
De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf - mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering - niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.
De verdachte heeft zich bij ieder verhoor ter zake het feit waarvan hij en zijn medeverdachten werden verdacht, beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl het bewijs en de omstandigheden waarin hij en de medeverdachten werden aangetroffen naar het oordeel van het hof op zichzelf de gevolgtrekking kunnen dragen dat sprake was van de tenlastegelegde betrokkenheid bij het amfetaminelaberatorium en dat het geheel van feiten en omstandigheden om uitleg schreeuwt. In het onderhavige geval kan ten aanzien van de verdachte worden vastgesteld dat deze geconfronteerd met feiten en omstandigheden waaruit zijn mogelijke betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten zou kunnen blijken, zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Het hof neemt deze houding van verdachte gezien het bovenstaande dan ook in aanmerking bij zijn bewijsoordeel.
Gelet op het bovenstaande en het niet geven van een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring - waar dat naar het oordeel van het hof wel van hem mocht worden verwacht - kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich op 26 maart 2015 te Well samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van amfetamine.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.”