Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het middel
I.3 sub iv ad ‘Ten eerste’(p. 8) – dat de overweging in alinea 6 moet worden aangemerkt als een vernietiging in rechte nu van een buitengerechtelijke vernietiging in casu geen sprake is. Het middel bouwt daar t.a.p. op voort met de klacht dat het hof heeft miskend dat zijn oordeel als een buitengerechtelijke vernietiging moet worden gekwalificeerd. Ik begrijp die klacht aldus dat het hof aan de kwalificatie de door het middel bepleite gevolgen (zie bij 2.14) had moeten verbinden.
Mijn cliënt heeft inmiddels de nietigheid van de contractuele procedure ingeroepen.”
Aangezien Centre Hotel van mening is dat de regeling in het huurcontract nadelig is voor haar als huurder in vergelijking met de wettelijke regeling, heeft zij de nietigheid ervan ingeroepen op grond van artikel 7:291 lid 1 BW Pro en heeft [lees: zij] [eiser] gevraagd om in te stemmen met de bedrijfshuuradviescommissie als deskundige. [eiser] heeft dit geweigerd. Vervolgens heeft Centre Hotel op grond van artikel 7:304 de Pro kantonrechter gevraagd om de bedrijfshuuradviescommissie als deskundige aan te wijzen. (…)”
I.3 sub iv ad ‘Ten tweede’en onder
I.3 sub v(herhaald onder
II.4) berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. In dat geval moeten die klachten op deze grond falen.
I.1/I.1.1van het middel veronderstellen ten onrechte dat het hof in alinea 7 heeft miskend dat een van de wet afwijkend beding kan worden goedgekeurd.
I.2van het middel veronderstelt ten onrechte dat het hof in alinea 7 het verzoek om goedkeuring heeft verworpen op inhoudelijke, aan alinea 1-5 ontleende, gronden.
I.3 sub iveronderstelt ten onrechte dat het hof in alinea 6 heeft geoordeeld dat een verzoek om goedkeuring eerder − voorafgaande aan de procedure dan wel tijdens de onderhandelingen − had moeten worden gedaan.
I.3 sub iiveronderstelt ten onrechte dat het hof in alinea 6 heeft geoordeeld dat een verzoek om goedkeuring gezamenlijk moet worden gedaan. Met de formulering in deze alinea dat partijen geen goedkeuring hebben gevraagd heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat die mogelijkheid voor ieder van hen open heeft gestaan.
I.3 sub iiiveronderstelt ten onrechte dat het hof in alinea 6 heeft miskend dat een beding op grond van art. 7:291 BW Pro vernietigbaar is en niet van rechtswege nietig. Dat het hof niet de nietigheid van rechtswege maar vernietigbaarheid voor ogen heeft gehad blijkt reeds uit de laatste zinsnede van rov. 3.10.
II.1veronderstelt ten onrechte dat het oordeel in alinea 7 niet voortbouwt op het oordeel in alinea 6, dat Centre Hotel terecht de nietigheid van het beding inroept (en faalt overigens op dezelfde gronden als de klachten sub I.1-I.2 waarnaar wordt verwezen).
II.2/II.2.1veronderstelt ten onrechte dat het hof in alinea 6 heeft geoordeeld dat een verzoek om goedkeuring gezamenlijk moet worden gedaan.
II.3faalt om dezelfde reden als de klacht onder I.3 sub i.
IIIbehelst, in de woorden van de cassatiedagvaarding, een veegklacht zonder zelfstandige betekenis met betrekking tot de rov. 3.13 t/m 3.17 en het dictum, en deelt daarom in het lot van de voorafgaande klachten.
IV.1richt het middel een rechtsklacht tegen de beslissing van het hof om zowel zijn eigen beschikking als die van de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (rov. 3.16 en het dictum). Betoogd wordt dat een constitutieve uitspraak, zoals in dit geval een gerechtelijke vernietiging, pas werking heeft indien deze in kracht van gewijsde is gegaan en dat dit betekent dat de uitspraak en de daarop gebaseerde benoeming van een deskundige niet uitvoerbaar bij voorraad kúnnen worden verklaard. De klacht onder
IV.2bouwt hierop voort,