Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen in het principale beroep
“bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening te houden met de omstandigheid, volgens haar, dat de man in aanmerking kan komen voor ontheffing van de inkomensafhankelijke bijdragen ZVW en AWBZ” [8] . Blijkens rov. 4.10 heeft het hof dit verzoek niet als een grief tegen het niet toepassen van de woonlandfactor door de rechtbank opgevat. De uitleg of sprake is van een grief en, zo ja, wat die grief inhoudt, is in beginsel voorbehouden aan de appelrechter, zodat het oordeel van het hof ter zake alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst [9] . Onbegrijpelijk is de uitleg van het hof niet, ook niet voor zover het hof het verzoek van de vrouw niet mede op toepassing van de woonlandfactor heeft betrokken. Ontheffing van de inkomensafhankelijke bijdragen is wezenlijk iets anders dan een correctie van de bijdragen door toepassing van de woonlandfactor. Correctie zou niet ertoe leiden dat de man - geheel - van de plicht tot het betalen van de bijdragen zou worden ontheven, maar slechts dat de man - afhankelijk of de factor meer of minder dan één bedraagt - hogere of lagere bijdragen zou moeten betalen [10] . Overigens heeft ook de man het verzoek van de vrouw kennelijk niet zo begrepen als de vrouw in cassatie betoogt [11] . Ik merk voorts op dat, als de vrouw met haar verzoek ter zitting werkelijk het oog zou hebben gehad op de gehanteerde percentages en/of op het niet toepassen van de woonlandfactor, het voor de hand had gelegen dat zij dat met zoveel woorden zou hebben gezegd. Ik volg de vrouw dus niet in haar stelling dat het hof het verzoek van de vrouw te beperkt heeft uitgelegd.
“Voorts is op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, een door de man met ingang van 1 augustus 2012 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 530,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven”.
“met de Raad voor de rechtspraak (…) (af te stemmen) dat in familierechtelijke uitspraken de alimentatieberekening door de rechter altijd wordt bijgevoegd” [26] . Uit het antwoord op Kamervragen blijkt echter dat de staatssecretaris bij nader inzien een wettelijke regeling ter zake niet opportuun achtte. Als reden noemde de staatssecretaris onder meer dat het merendeel van de gerechten bezwaren tegen het bijvoegen van een draagkrachtberekening heeft [27] .
“overeenkomstig de geldende richtlijnen”, de helft van de door de man opgevoerde woonlasten in aanmerking zal nemen. Reeds om deze redenen kan de door het hof vastgestelde alimentatie niet op de enkele grond dat zij afwijkt van de alimentatie die zich volgens het middel aan de hand van het Rapport alimentatienormen laat berekenen, als onbegrijpelijk worden aangemerkt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
nietjaarlijks, bij gelijkblijvende omstandigheden, overeenkomstig het algemene indexcijfer wordt
verhoogd. Daarbij geldt dat de onderhoudsplichtige moet aantonen dat die veronderstelde jaarlijkse stijging van het inkomen (met het algemene indexcijfer) voor zijn geval niet geldt.
verlagen, althans
bevriest. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de man onder meer gesteld dat het ABP zijn pensioen in 2012 en 2013 heeft verlaagd en dat zijn pensioen naar verwachting ook in 2014 zal worden verlaagd (zie rov. 4.11). In dit één en ander ligt het standpunt van de man besloten dat zijn pensioen in elk geval niet zal worden gewijzigd overeenkomstig het in art. 1:402a lid 1 genoemde indexcijfer. Het hof heeft hierop geoordeeld dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ABP zijn pensioen ook in de toekomst verder zal verlagen (rov. 4.11). Het hof heeft daarbij opgemerkt dat het hier gaat om een onzekere toekomstige omstandigheid, waarop het hof niet zal vooruitlopen.
verlaagd. Waar het om gaat, is of voldoende aannemelijk is dat het inkomen
niet zal worden gewijzigd overeenkomstig het in art. 1:402a lid 1 genoemde indexcijfer. Van dat laatste is ook sprake als geen indexering van het pensioen plaatsvindt en het pensioen derhalve niet wordt verhoogd. In zoverre acht ik de klacht gegrond.
“verwachting”zal in dat verband niet steeds volstaan. Of wel of niet voldoende aannemelijk is dat de aan art. 1:402a lid 1 BW ten grondslag liggende veronderstelling in het voorliggende geval niet opgaat en of een uitsluiting van de wettelijke indexering is gerechtvaardigd, zal afhangen van de mate van waarschijnlijkheid dat de bedoelde verwachting zich verwerkelijkt. Dat, zoals het subonderdeel betoogt, niet van belang is dat de onderhavige omstandigheid een onzekere toekomstige omstandigheid betreft, kan ik dan ook niet in algemene zin onderschrijven.
verlaagd, is nog steeds vrij uitzonderlijk; zo heeft ook de door de man bedoelde verdere verlaging van het ABP-pensioen in 2014 zich
nietgerealiseerd. Op 1 april 2014 is de 0,5% waarmee het opgebouwde pensioen in 2013 is verlaagd, juist weer aan het opgebouwde pensioen toegevoegd [35] . Tegen die achtergrond acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof verdere verlagingen van het pensioen in de toekomst als onvoldoende zeker heeft beschouwd om als grondslag voor een uitsluiting van de wettelijke indexering te dienen. Minder uitzonderlijk is echter het achterwege blijven van een indexering. De ABP-pensioenen zijn over 2009 voor het laatst geïndexeerd (en wel met 0,28%, terwijl de prijzen toen met 1,2% stegen). Dat dit beeld voorlopig niet zal wijzigen, lijkt wél voldoende aannemelijk, vooral nu sedert 1 januari 2015 wordt gerekend met de beleidsdekkingsgraad, het gemiddelde van de laatste twaalf (per maand berekende) dekkingsgraden, die minder sterk zal schommelen dan de “oude” dekkingsgraad die tot en met 2014 werd gerapporteerd en een momentopname van de financiële positie aan het einde van de maand vormde [36] . Of wettelijke indexering per 1 januari van enig jaar plaatsvindt, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de uitkering wordt vastgesteld [37] . In dat licht is aannemelijk dat het hof in zijn beschikking van 9 september 2014 met
“de toekomst”de periode, te rekenen vanaf 1 januari 2015 heeft bedoeld. Inmiddels staat vast dat de ABP-pensioenen (ook) per 1 januari 2015
nietzijn verhoogd (dat wil zeggen: niet over 2014 zijn geïndexeerd) [38] en dat zij zich niet overeenkomstig het algemene indexcijfer van art. 1:402a lid 1 BW hebben ontwikkeld. Dat dit een en ander zich zou voordoen, was naar mijn mening reeds ten tijde van de bestreden beschikking voldoende aannemelijk.
nietopgaat. In dit verband is nog van belang dat de rechter, in plaats van slechts een gehele uitsluiting van de wettelijk indexering, ook maatwerk kan leveren. Te denken valt aan het uitsluiten van de wijziging van rechtswege met betrekking tot een deel van het alimentatiebedrag [39] .
subonderdeel I.2.1) en voorts, zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, in het licht van de onweersproken stellingen van de man alsmede de overige vaststaande omstandigheden bovendien een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven (
subonderdeel I.2.2 [40] ).
subonderdeel I.2.1heeft de man in grief D van zijn incidenteel appel een beroep gedaan op de uitsluiting van de wettelijke indexering op grond van art 1:402a lid 5 BW. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het ABP de pensioenen al sinds 2012 jaarlijks heeft verlaagd, hetgeen volgt uit de brief van het ABP van februari 2013 waarin is aangekondigd dat de pensioenen per 1 april 2013 worden verlaagd met 0,5% en dat deze per 1 januari 2014 nog verder zullen worden verlaagd met 1,6%. Daarbij heeft de man verwezen naar de desbetreffende brief van het ABP (productie 12 bij het verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel). Op grond hiervan heeft de man een beroep gedaan op het vijfde lid van art. 1:402a BW en heeft hij verzocht de wettelijke indexering uit te sluiten voor onbepaalde tijd dan wel zolang het ABP de pensioenen jaarlijks verlaagt/bevroren houdt. Volgens het subonderdeel heeft de vrouw op deze stelling slechts in haar verweerschrift in incidenteel appel gerespondeerd. Zij heeft daartoe
enkelgesteld dat het ABP de verlaging in 2014 slechts als een mogelijkheid heeft genoemd. Ter zitting bij het hof heeft de man aangevoerd dat recentelijk nog is gebleken dat er een gerede kans bestaat dat de pensioenen in 2014 nóg verder zullen worden verlaagd, en dat in elk geval vaststaat dat de pensioenen niet zullen stijgen. Blijkens haar pleitnotitie en het proces-verbaal van de zitting bij het hof heeft de vrouw ter zitting niets (meer) over het beroep van de man op art. 1:402a lid 5 BW te berde gebracht.
isverlaagd, dát
verwachtwordt dat dit ook in 2014 zal gebeuren, en dat de pensioenuitkering van de man
zeker niet zal stijgen. Volgens het subonderdeel heeft het hof dan ook art. 149 Rv Pro geschonden door die omstandigheden niet vast te stellen en bij zijn oordeel te betrekken, maar in plaats daarvan te oordelen dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn pensioen in de toekomst verder zal worden verlaagd en dat het hier gaat om een toekomstige omstandigheid waarop het niet zal vooruitlopen.
mogelijkheid. Kennelijk heeft de vrouw daarmee willen aangeven dat voor de toekomst nog niets vaststond. Dat daarmee als onweersproken had te gelden en door het hof als vaststaand had moeten worden aangenomen dát de pensioenuitkering van de man in 2012 en 2013
isverlaagd, dát
verwachtwordt dat dit ook in 2014 zal gebeuren, dát de pensioenuitkering van de man
zeker niet zal stijgen, en dat het hof een zelfstandige waardering van de aannemelijkheid van de toekomstige ontwikkelingen rond de pensioenuitkering van de man (wel of niet verlaging, wel of niet indexering) daardoor niet langer vrijstond, kan ik niet volgen. Ik acht de klacht van het subonderdeel dan ook ongegrond.
subonderdeel I.2.2heeft het hof eveneens miskend dat uit de vaststaande omstandigheden geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de vermoedelijke jaarlijkse stijging van het inkomen (met het algemene indexcijfer) voor de man niet geldt, en dat juist daaruit moet worden geconcludeerd dat de wettelijke indexering hier (hetzij voor onbepaalde hetzij voor bepaalde duur) moet worden uitgesloten. De afwezigheid van de vermoedelijke jaarlijkse stijging, is volgens het subonderdeel nu juist hét uitgangpunt bij de uitsluiting van de wettelijke indexering ex art. 1:402a lid 5 BW. Dit betekent dat het oordeel van het hof zonder nadere (begrijpelijke) toelichting, die hier ontbreekt, ook apert onbegrijpelijk is. Dit oordeel is dés te meer onbegrijpelijk nu het een feit van algemene bekendheid is dat de pensioenfondsen het al jaren financieel zwaar hebben. Het is eigenlijk al reeds hierom, en in samenhang met de voornoemde vaststaande omstandigheden, zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, onbegrijpelijk, dat het hof niet heeft vastgesteld dat de pensioenuitkering van de man in elk geval niet jaarlijks (met het algemene indexcijfer) zal stijgen en dat de wettelijke indexering van de partneralimentatie reeds om deze reden in dit geval moet worden uitgesloten.
dalen, wordt door onderdeel I.1 reeds aan de orde gesteld. Voor het overige geldt dat het op zichzelf niet onbegrijpelijk is dat de vaststaande feiten het hof, nu het eenmaal van het bedoelde (onjuiste) criterium is uitgegaan, geen aanleiding hebben gegeven de wettelijke indexering uit te te sluiten.
“(…) dat het hof ook heeft miskend dat (…) júist daaruitmoetworden geconcludeerd dat de wettelijk indexering hier (…)moetworden uitgesloten”en
“dat de wettelijke indexering van de partneralimentatie reeds (om) deze reden in dit gevalmoetworden uitgesloten”; onderstrepingen toegevoegd; LK), uitsluiting van de wettelijke indexering niet imperatief is voorgeschreven, óók niet in het geval dat aan de voorwaarde voor een zodanige uitsluiting is voldaan (art. 1:402a lid 5 BW:
“De wijziging van rechtswegekanbij rechterlijke uitspraak (…) worden uitgesloten. Daarbijkantevens worden bepaald (…)”; onderstrepingen toegevoegd; LK).
)vermelde criterium is immers (voornamelijk) van feitelijke aard, terwijl voor een eventueel te treffen individuele regeling (die bijvoorbeeld indexering van slechts een deel van het inkomen uitsluit) nog nader te onderzoeken omstandigheden van belang kunnen zijn.