Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
1.Overzicht
i.e.fiscaal informeel kapitaal in) die UK Ltd ad circa £ […] miljoen (de Hybrid). De UK Ltd hield deelnemingen in andere in het VK gevestigde vennootschappen (de UK-groep) en middellijk een deelneming in de in Nederland gevestigde vennootschap [B] Holding BV (de subholding). De subholding had drie vorderingen op de fiscale eenheid ad respectievelijk € […] miljoen, € […] miljoen en € […] miljoen. Na de reorganisatie hield de fiscale eenheid het belang in de subholding rechtstreeks (niet meer via de UK-groep) en het belang in de UK Ltd niet meer rechtstreeks maar via een Luxemburgse vennootschap en een nieuwe Britse vennootschap. De Hybrid was na de reorganisatie in handen van een Cypriotische concernvennootschap.
Deutsche Shell [1] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank heeft geoordeeld dat het EU-vestigingsrecht zich weliswaar verzet tegen uitsluiting van aftrek van een definitief geleden valutaverlies bij repatriëring van in een andere EU-lidstaat geïnvesteerd dotatiekapitaal, maar dat het in casu niet gaat om een op concernniveau definitief valutaverlies. Zij heeft belanghebbendes beroep daarom ongegrond verklaard.
Deutsche Shellgevolgde redenering geldt volgens het Hof niet slechts voor vaste inrichtingen, maar ook voor deelnemingen. Het nadeel van niet-aftrekbaarheid van een valutaverlies vloeit niet voort uit verdeling van heffingsbevoegdheid, nu valutaresultaten zoals de litigieuze alleen bij de moeder tot uitdrukking kunnen komen.
Deutsche Shell, geen onderscheid maakt, nu Nederland niet bij belastingverdrag afstand heeft gedaan van zijn heffingsbevoegdheid, maar bij de bepaling van zijn nationale heffingsgrondslag, door (nondiscriminatoire) deelnemingsvrijstelling. Het Hof achtte niet relevant op welke wijze van heffingsrecht is afgezien. Volgens het Hof is vooral van belang dat het verlies naar zijn aard alleen in Nederland tot uitdrukking kan komen.
hedgevoordoet en de investeerder geen werkelijk koersrisico loopt, zodat economisch bezien slechts een relatief beperkt verlies is geleden. Het Hof achtte het verband tussen de investering en de herinvestering te ver verwijderd.
X AB v Skatteverket [2] over de zijns inziens vergelijkbare Zweedse deelnemingsvrijstelling. Omdat valutarisico’s beide kanten op kunnen werken, is er volgens A-G Kokott ook geen sprake van verborgen ongelijke behandeling. Mocht toch sprake zijn van een belemmering, dan wordt die volgens de Staatssecretaris gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het Nederlandse belastingstelsel te verzekeren. Een lidstaat hoeft bovendien slechts rekening te houden met buitenlandse verliezen als zij definitief lokaal onverrekenbaar zijn. In casu is het verlies niet definitief. Materieel treedt geen wijziging op in belanghebbendes valutakoersrisico, omdat het valutakoersresultaat in dezelfde mate is terug te vinden in de waarde van haar deelneming in de Luxemburgse tussenhoudster. Het Hof is volgens de Staatssecretaris ten slotte onvoldoende ingegaan op de volgens hem onweersproken stelling van de Inspecteur dat zich een natuurlijke
hedgevoordoet. De Staatssecretaris acht zich gesteund door het inmiddels gewezen arrest
X AB v Skatteverket [3] van het HvJ EU.
Deutsche Shell, geen verkeersbelemmering. Hij gaf ook een verklaring voor het verschil in uitkomst tussen de twee zaken: in
Deutsche Shellwerd volgens het Hof wél onderscheid gemaakt voor buitenlandgevallen (niet-aftrekbaar/niet-belast), waar voor binnenlandgevallen gold: aftrekbaar/belast. Zweden daarentegen heeft ‘als algemene regeling’ (bedoeld is kennelijk: voor zowel interne en als grensoverschrijdende gevallen) zijn fiscale bevoegdheid niet uitgeoefend ter zake van valutaresultaten op deelnemingen. De vrijheid van vestiging verplicht lidstaten niet om hun fiscale jurisdictie asymmetrisch uit te oefenen om verliezen aftrekbaar te maken waar winsten vrijgesteld zijn. Dit is kennelijk niet anders als het verlies definitief is, nu het in
X AB v Skatteverketging om een definitief te lijden verlies (vervreemding van de deelneming en beëindiging van de activiteiten in het VK). Dat een valutaverlies naar zijn aard slechts in de hoofdhuis/moederstaat tot uitdrukking kan komen, wat in
Deutsche Shellbeslissend leek, is niet (meer) beslissend.
X AB v Skatteverket, geen verboden belemmering van de vestigingsvrijheid of het kapitaalverkeer. Aan de vraag naar een rechtvaardiging en proportionaliteit komt men dan niet toe, evenmin als in
X AB v Skatteverket. Het ‘altijd-ergens’-beginsel geldt, voor zover het HvJ EU het nog aanhangt, alleen als in het vergelijkbare binnenlandgeval wél aftrek mogelijk is.
rule of remotenesswijst op de afwezigheid van een belemmering: de mogelijkheid van een per saldo nadeel in plaats van een per saldo voordeel is te onzeker en indirect en hangt bovendien te zeer samen met ondernemerskeuzen en niet zozeer met de belastingregeling om een belemmering aan te nemen die door de deelnemingsvrijstelling wordt veroorzaakt.
Marks & Spencer IIvan het HvJ EU. De tussenregeling (art. 28b Wet Vpb) is in casu alleen al niet relevant omdat zij pas in 2011 is ingevoerd, maar ook overigens niet omdat zij niet wegneemt dat geen onderscheid wordt gemaakt en juist symmetrie handhaaft.
Groupe Stériaacht ik niet relevant omdat ook in binnenlandse verhoudingen een valutaresultaat op de (vervreemding en) ontvoeging van een deelneming binnen de eenheid niet genomen kan worden en na ontvoeging onder de deelnemingsvrijstelling valt. Of men nu vergelijkt met de vervreemding van een niet-gevoegde binnenslands gevestigde dochter wier aandelen in ponden zijn uitgegeven of met een wél gevoegde dochter wier aandelen in ponden zijn uitgegeven, in de vergelijkbare binnenlandsituatie is geen aftrek mogelijk van een valutaverlies van de soort die de belanghebbende poogt af te trekken (vermogensresultaat
opde deelneming).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Deutsche Shellvan het HvJ EU. Volgens de Inspecteur vielen de valutaverliezen onder de deelnemingsvrijstelling en zag het
Deutsche Shellarrest enkel op vaste inrichtingen; niet op deelnemingen. De Inspecteur zag overigens geen belemmering van de EU-vestigingsvrijheid, nu binnenlandse en buitenlandse deelnemingen gelijk behandeld worden. Of een valutaverlies definitief is, moest volgens de Inspecteur voorts op concernniveau worden beoordeeld en op dat niveau was geen sprake van een definitief verlies. Ook zag de Inspecteur geen reëel economisch verlies, nu tegenover het in UK Ltd geïnvesteerde kapitaal de door de subholding gehouden eurovorderingen stonden, waardoor zich een natuurlijke
hedgevoordeed en vrijwel het gehele valutaverlies was gecompenseerd.
Deutsche Shellin dat het EU-vestigingsrecht zich ertegen verzet dat een bij repatriëring van dotatiekapitaal definitief geleden valutaverlies wordt uitgesloten bij de bepaling van de heffingsgrondslag. De belanghebbende heeft haars inziens echter geen definitieve valutaverliezen geleden omdat zulks op concernniveau moet worden beoordeeld en op dat niveau bezien de valutaverliezen het gevolg zijn van interne reorganisaties waarbij het uiteindelijke belang in de betrokken dochtervennootschappen in stand bleef en geen sprake was van liquidatie. De valutaverliezen zijn volgens de Rechtbank reeds daarom niet aftrekbaar. Zij heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
V-N2014/15.14 stemde in:
NTFR2014/1578) heeft de rechtbank ten onrechte relevant geacht dat de deelnemingen binnen het concern bleven:
Deutsche Shell, geen onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende gevallen. Het Hof verwierp dat betoog met het aan dat betoog voorbij gaande argument dat niet van belang was of een objectvrijstelling eenzijdig of bij verdrag verleend werd. Hij achtte beslissend dat het valutaverlies zich alleen in de Nederlandse belastingjurisdictie kon voordoen en (daarom?) dan ook daar in aanmerking moest worden genomen:
Deutsche Shell, punten 25 en 27). Hij baseerde dat standpunt enerzijds op het feit dat bij de overdracht van een pondendeelneming aan een 100%-dochter die eveneens in euro’s rapporteert het valutarisico niet wijzigt, en anderzijds op analoge toepassing van art. 13d(9)(b)(2) Wet Vpb (tijdstip liquidatieverlies). Volgens het Hof moet het valutaverlies echter beoordeeld worden op het niveau van de belanghebbende (de fiscale eenheid), die haar Britse activiteiten wel degelijk heeft gestaakt:
hedge, waardoor economisch bezien slechts een relatief beperkt verlies is geleden. Het Hof verwierp ook dat betoog:
V-Nwas niet overtuigd (
V-N2015/10.15):
3.Het geding in cassatie
lidstaat van vestigingmoet filialen en dochters van niet-inwoners gelijk behandelen voor zover ter zake van inkomen van die filialen/dochters (gelijke) heffingsbevoegdheid wordt uitgeoefend. Over een dergelijke situatie gaat het hier niet.
Deutsche Shellgaat over valutaresultaten op het vermogen van een vaste inrichting; niet over de deelnemingsvrijstelling. Bij een binnenlands filiaal kunnen zich geen valutaverliezen voordoen; bij een binnenlandse deelneming wel (functionele valuta).
X AB v Skatteverket. [12] Zij acht van belang dat de Zweedse deelnemingsregeling zowel verliezen als winsten buiten beschouwing laat en neemt pas verborgen benadeling aan als buitenlandse deelnemingen over het geheel genomen vaker verliezen zouden genereren dan binnenlandse deelnemingen. Omdat de uitkomst van valutarisico’s onzeker is, ziet zij geen dergelijke verborgen benadeling.
Deutsche Shell, niet definitief. Het Hof meent ten onrechte dat de Britse deelneming is verkocht. Zij is tegen aandelen ingebracht in Lux. Materieel wijzigde daardoor belanghebbendes valutakoersrisico niet, dat aanwezig blijft in de waarde van haar deelneming in Lux. Het slechts tussenvoegen van een tussenhoudster is geen definitieve realisering van valutaverlies. Het Hof meent dat bij nog drie rechtshandelingen valutaverliezen zijn gerealiseerd (de inbreng van UK Ltd in New UK Ltd, de dividenduitkering door New UK Ltd, en de overdracht van New Hybrid aan Lux.). ’s Hofs oordeel dat deze valutaverliezen definitief zouden zijn, is niet gemotiveerd. Het valutaverlies bij de inbreng van UK Ltd in New UK Ltd is net zo min definitief als het valutaverlies bij de inbreng in Lux. Het dividend is niet uitgekeerd ter zake van beëindiging of liquidatie van activiteiten in het VK en is daarom niet vergelijkbaar met repatriëring van dotatiekapitaal van een v.i. Ook valutaresultaat op de Hybrid gaat de belanghebbende nog steeds aan omdat het tot uitdrukking komt in de waarde van haar deelneming in Lux.
hedgeontstond. ’s Hofs oordeel dat de valutawinsten op de eurobezittingen veronachtzaamd kunnen worden, is onvoldoende gemotiveerd.
Deutsche Shellpast in een reeks arresten waarin het HvJ EU voorkomt dat aftrekposten en verliezen bij grensoverschrijdend investeren in de EU tussen wal en schip vallen (nergens aftrekbaar zijn). Het valutaverlies in
Deutsche Shellkon naar zijn aard niet in Italië vallen, zodat de mogelijkheden om dat verlies in Italië te verrekenen als het ware bij voorbaat waren uitgeput. Het HvJ EU heeft deze lijn, ook wel het ‘altijd-ergens’-beginsel genoemd, vastgehouden ondanks uitnodigingen om er afstand van te nemen, die hij drie keer naast zich heeft neergelegd, zodat deze lijn voor de rechtspraktijk gegeven is.
Deutsche Shell; het kan vanwege zijn aard nooit door de dochter geleden worden. In wezen is ‘s Hofs aanpak dezelfde als de Nederlandse bij de voorkoming van dubbele belasting van vaste-inrichtingswinst (de
Rupiah-arresten [14] ).
hedgeis voldoende gemotiveerd, nu het bestaan daarvan door de belanghebbende wel degelijk is weersproken.
Deutsche Shellop gewezen dat moeilijk was vast te stellen of zich een discriminatie voordeed omdat een vergelijkbare binnenlandse situatie niet bestond, maar uit het arrest volgt dat niet ter zake deed of aftrekweigering zich ook bij interne gevallen kon voordoen, omdat ook een nondiscriminatoire belemmering van de vestigingsvrijheid verboden kan zijn. De belanghebbende betwist overigens dat de aftrekweigering zich ook binnenslands kan voordoen, nu een binnenlandse moeder en dochter in dezelfde valuta rapporteren, zodat zich geen vertaaleffect voordoet. De valutaverliezen waar het in
Deutsche Shellom gaat, zijn geen verliezen van de dochter op bezittingen of schulden in andere valuta, maar valutaverliezen die naar hun aard niet in de vestigingsstaat van de dochter tot uitdrukking kunnen komen, hetgeen voor het HvJ EU beslissend was.
winstenonder de deelnemingsvrijstelling vallen, doet daar niet aan af. Het kan het HvJ EU in
Deutsche Shellniet zijn ontgaan dat ook het Duitse systeem op zichzelf symmetrisch was; toch zag hij een verboden belemmering. Of een vrijstelling van valutaresultaten op deelnemingen neutraal (niet vooral nadelig) is, is overigens een feitelijke stelling die het Hof niet heeft onderzocht en het is geen feit van algemene bekendheid. Het is integendeel juist algemeen bekend dat sterke en zwakke valuta bestaan en dat wie boekhoudt in sterke valuta meer kans loopt op valutaverlies dan op valutawinst (HR BNB 2009/23). Dat een belemmering als deze te onzeker en te indirect zou zijn (
rule of remoteness) is volgens de belanghebbende niet te baseren op jurisprudentie van de Hoge Raad of het HvJ EU.
Deutsche Shelluitdrukkelijk verworpen. De door de Staatssecretaris aangevoerde
K.-zaak betrof een volstrekt normale coherente én territoriale verdeling van heffingsbevoegdheid tussen twee Staten en leverde dus een combinatie van twee rechtvaardigingsgronden op. Een ‘symmetrische logica’ is niet voldoende als valutaverliezen die maar in één lidstaat tot uitdrukking kunnen komen – zodat geen sprake kan zijn van verstoring van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid – niet in aanmerking worden genomen. Sinds de invoering van art. 28b Wet Vpb (de tussenregeling valutaresultaten op deelnemingen) gaat het coherentie- of neutraliteitsargument hoe dan ook niet meer op.
Deutsche Shellblijkt niet dat van belang was of het valutaverlies definitief was. Met de woorden “werkelijk economisch verlies” heeft het HvJ EU geen nieuw EU-rechtelijk begrip willen introduceren. Of sprake is van een verlies moet worden vastgesteld op basis van het nationale recht, in casu dus met name op basis van goedkoopmansgebruik. Zowel bij de inbreng van UK Ltd in New UK Ltd, als bij de dividenduitkering, als bij de overdracht van New UK Ltd aan Lux. zijn valutaverliezen gerealiseerd. Het risico waar het hier om gaat – het valutarisico dat ontstaat doordat moeder en dochter hun fiscale resultaat berekenen in verschillende valuta – doet zich bij de belanghebbende vanaf de overdracht van de aandelen aan Lux. niet meer voor, omdat Lux. rapporteert in euro’s. Het valutarisico ligt op dat moment bij Lux.
Deutsche Shell, welk betoog het HvJ EU aan de verwijzende Duitse rechter ter beoordeling overliet [15] ), (ii) dat bij consolidatie in een fiscale eenheid – waar de belanghebbende mee wil vergelijken, gezien haar beroep op het arrest
Groupe Stériavan het HvJ EU – geen sprake zou zijn van enerzijds een winst van € 14 en anderzijds een verlies van € 10, maar van een eenheidswinst van € 4, en (iii) dat zij (valuta)resultaten
opdeelnemingen en (valuta)resultaten
vandochters (operationele (valuta)resultaten op beleggingen en operaties
vande dochter) lijkt te verwarren.
X AB v Skatteverket, is volgens de belanghebbende in een andere juridische context gewezen dan
Deutsche Shell. Zweden (in de zaak
X AB) zag consequent af van heffing op het resultaat van deelnemingen, terwijl de behandeling van het resultaat in Duitsland (in de zaak
Deutsche Shell) afhing van de aanwezigheid van een verdrag. De juridische context van belanghebbendes zaak wijkt wezenlijk af van die in
X ABomdat de Nederlandse regeling niet consequent resultaat op deelnemingen uitsluit. Valutaresultaat wordt immers wél in aanmerking genomen bij liquidatieverlies en ook als de tussenregeling ex art. 28b Wet Vpb wordt toegepast. Sinds de invoering van de tussenregeling wordt bovendien de symmetrie van de Nederlandse regeling niet aangetast als valutaverliezen in aanmerking worden genomen. Sindsdien bestaan er in feite twee symmetrische systemen naast elkaar: niet aftrekbaar/niet belast en aftrekbaar/belast. In het Nederlandse systeem kunnen dochters bovendien in een fiscale eenheid worden opgenomen, waardoor een moeder met binnenlandse deelnemingen gunstiger wordt behandeld dan een moeder met buitenlandse deelnemingen: bij voeging van (New) UK Ltd zouden ook de verliezen door de koersdaling van het pond in Nederland aftrekbaar zijn geweest. De belanghebbende betoogt overigens niet dat zij haar UK-(klein)dochters moet kunnen voegen, maar dat zij niet zonder rechtvaardiging in een nadeliger positie mag komen dan wanneer haar dochters in Nederland zouden zijn gevestigd. Zij wijst daarbij op de conclusie van A-G Kokott in de zaak C-386/14
Groupe Stéria. A-G Kokott meent dat het onthouden van een voegingsvoordeel aan een vergelijkbare grensoverschrijdende situatie separaat gerechtvaardigd moet worden op basis van evenwichtige jurisdictieverdeling. In casu is er volgens de belanghebbende geen jurisdictiekwestie, nu het verlies zich uitsluitend in Nederland kan voordoen, en dus geen rechtvaardiging.
X AB v Skatteverket, zodat aan de vraag naar een rechtvaardigingsgrond en de proportionaliteitstoets niet wordt toegekomen. In de zaken
Marks & Spencer II, [16] Lidl Belgium, [17] Deutsche Shell,
Krankenheim Ruhesitz [18] en
K [19] zag het HvJ EU wél een nadeliger behandeling van de grensoverschrijdende situatie. De Nederlandse regeling behandelt valutawinsten en verliezen symmetrisch en binnenslands en grensoverschrijdend gelijk. Ook binnenslands kan zich valutaverlies voordoen als moeder investeert in een binnenlandse dochter die boekhoudt in vreemde functionele valuta. Het HvJ EU verplicht een lidstaat weliswaar rekening te houden met een verlies uit een andere lidstaat als dat verlies aldaar definitief onverrekenbaar of onzichtbaar is, maar alleen als het ook in de vergelijkbare interne situatie aftrekbaar zou zijn. Dat is in casu niet het geval. Uit
X AB v Skatteverketblijkt dat het EU-recht Nederland niet verplicht het litigieuze valutaverlies in aftrek toe te laten. Dat de Nederlandse regeling mogelijk van de Zweedse verschilt bij liquidatie en door de tussenregeling ex art. 28b Wet Vpb doet daaraan, met name aan de symmetrie van de regeling, niet af. De liquidatieverliesregeling is overigens niet relevant nu de UK-deelneming niet is geliquideerd.
Rupiah-arresten verschillen voorts wel degelijk van context. De
Rupiah-arresten zagen op een omrekenresultaat ter zake van
inkomstenuit de bron (de winst van de vaste inrichting) en het verschil tussen voorkomingswinst en generale winst, terwijl
Deutsche Shellzag op valutaresultaat op de inkomensbron (het dotatiekapitaal).
Groupe Stériadat Nederland weliswaar mag weigeren een fiscale-eenheidsbeschikking af te geven voor een grensoverschrijdende groep omdat zo’n afgifte zou leiden tot grensoverschrijdende verrekening van winsten en verliezen (die niet hoeft te worden toegestaan), maar dat dit niet zegt is dat zonder nadere rechtvaardiging ook alle andere voordelen die binnenlandse groepen kunnen ontlenen aan een fiscale eenheid mogen worden geweigerd aan moeders met dochters in het buitenland. Zij verzoekt om prejudiciële verwijzing. Zij meent dat zij met betrekking tot de aftrek van valutaverlies op haar Britse deelneming in dezelfde positie moet worden gebracht als die waarin zij verkeerd zou hebben als de Britse activiteiten zouden zijn ondergebracht in een feitelijk in Nederland geleide vennootschap die zou zijn opgenomen in de Nederlandse fiscale eenheid. Dat wil volgens de belanghebbende zeggen dat verrekening van haar valutaverlies moet worden toegestaan, tenzij daarvoor een specifieke rechtvaardigingsgrond wordt gevonden.
(Valuta)resultaten op filialen en deelnemingen:Deutsche ShellenX AB v Skatteverket
Deutsche Shell, [20] betrof een in Duitsland gevestigde vennootschap met vaste inrichting in Italië. Deutsche Shell verstrekte die vaste inrichting ondernemingskapitaal (kennelijk) in Italiaanse
lire. In 1992 werd de vaste inrichting verkocht aan een Italiaanse dochter van Deutsche Shell, die meteen daarna werd verkocht aan een derde. Het bedrag in Italiaanse
liredat aldus werd verkregen, werd beschouwd als terugbetaling van het eerder verstrekte v.i.-kapitaal. Bij (terug)vertaling naar
Deutschmarksbleek het terugbetaalde bedrag ruim 122 miljoen DEM minder waard dan de oorspronkelijk DEM-waarde van het in
lireverstrekte kapitaal. Deutsche Shell wilde dat waardeverschil aftrekken van haar in Duitsland belastbare winst. De Duitse fiscus weigerde omdat (i) Deutsche Shell geen werkelijk economisch verlies had geleden en (ii) het valutaresultaat onderdeel was van het resultaat van de vaste inrichting dat positief was, ook als rekening werd gehouden met het valutaresultaat. Het HvJ EU liet de vraag of werkelijk economisch verlies was geleden aan de nationale rechter over en veronderstelde voor het vervolg dat sprake was van dergelijk verlies. Daarvan uitgaande, constateerde hij een belemmering van de vestigingsvrijheid, opmerkelijkerwijs echter zónder enig onderzoek naar de vraag of de grensoverschrijdende situatie nadeliger werd behandeld dan de binnenlandse:
Deutsche Shell, the Court explicitly used an obstacle-based approach as regards the non-deductibility of a currency loss (‘constitutes an obstacle’; ‘increases the economic risk’)”
Deutsche Shellgeen vergelijking mogelijk was tussen een binnenlandse en een grensoverschrijdende vestigingshandeling:
Finanzgericht Hamburgging in de zaak
Deutsche Shellwél uit van het bestaan van een ongelijke behandeling, op twee gronden. Ten eerste: het valutaverlies was niet aftrekbaar omdat het beschouwd werd als (vrijgesteld) resultaat van de vaste inrichting. Aldus werd dat resultaat anders behandeld dan een resultaat van een binnenlands filiaal, aldus het Finanzgericht: [23]
Finanzgerichtstelde ten tweede vast dat het valutaverlies niet aftrekbaar was vanwege de algemene Duitse regel dat kosten die economisch samenhangen met vrijgestelde inkomsten niet aftrekbaar zijn. Ook in deze benadering zag het Finanzgericht een belemmering van de vestigingsvrijheid, gegeven de arresten
Bosal [25] en
Keller Holding: [26]
Deutsche Shellconcludeerde ik dat het HvJ EU redeneerde vanuit het (vestigingsrecht van het) hoofdhuis:
Deutsche Shell, zou men ondanks ’s Hofs stilzwijgen over het bestaan van enige ongelijke behandeling, kunnen veronderstellen dat het Hof (toch) onderscheid zag: voor binnenlandse (filiaal)winst gold: valutawinsten belast en valutaverliezen aftrekbaar; voor buitenlandse (verdrags)filiaalwinst gold het omgekeerde: valutawinsten vrijgesteld en valutaverliezen niet aftrekbaar. De algemene winstbepalingsregel was immers kennelijk dat valutaresultaten behaald door (geheel) binnenlandse ondernemingen in aanmerking werden genomen; een objectvrijstelling van (negatief) valutaresultaat op een grensoverschrijdende operatie zou dan discriminatoir zijn voor zover dat negatieve resultaat evenmin in de andere Staat aftrekbaar zou zijn, althans als men het tegenargument verwerpt dat zulks gerechtvaardigd wordt door het gegeven dat valutawinsten evenzeer vrijgesteld zijn. Deze verklaring voor het zien van een verboden verkeersbelemmering in
Deutsche Shellis dogmatisch aantrekkelijk (de ongelijke behandeling bestaat in de
omkeringvan de symmetrie (vrijgesteld/niet-aftrekbaar in plaats van belast/aftrekbaar) waardoor het economische risico vergroot wordt), maar zij staat wel op gespannen voet met ’s Hofs arrest in de zaak
Krankenheim Ruhesitz: [27] in die laatste zaak
aanvaarddehet Hof immers juist de Duitse objectvrijstelling van een (kennelijk definitief) verlies na de verkoop van een Oostenrijkse v.i., hoewel vast stond dat dat verlies evenmin in Oostenrijk in aftrek kwam en in de binnenlandsituatie wél in aftrek zou komen van de winst van het hoofdhuis.
Deutsche Shellnu een zonder-onderscheid-maatregel of een met-onderscheid-maatregel verbood, het opmerkelijkste van die zaak was dat het Hof het Duitse beroep op de strikt symmetrische fiscale behandeling van koerswinsten en -verliezen als rechtvaardiging verwierp:
X AB v Skatteverketen de paragrafen 35-37 van de conclusie van de A-G Kokott in die zaak. Ik leid daaruit af dat de coherentierechtvaardiging inmiddels wél aangevoerd kan worden (voor zover nog nodig na
X AB v Skatteverket, nu daarin een vrijstelling van zowel binnen- als buitenlandse (valuta)resultaten op deelnemingen nondiscriminatoir werd geacht en daarom zelfs geen rechtvaardiging behoefde). De AG Kokott gaat mijns inziens terecht nog verder (zie paragraaf 44 van haar conclusie in
X AB v Skatteverket): ook zij meent dat het om een te onzeker en indirect mogelijk per saldo nadeel gaat dat onvoldoende samenhangt met de belastingmaatregel en ook positief kan zijn.
Deutsche Shellwas voor de Zweedse
Högsta förvaltningsdomstol(hooggerechtshof in bestuurszaken) aanleiding om het HvJ EU een prejudiciële vraag te stellen in de zaak
X AB v Skatteverket, [28] over een in Zweden gevestigde vennootschap (X AB) die de aandelen in een door haar in het VK opgerichte en aldaar gevestigde dochtervennootschap (Y Ltd) had volgestort in US dollars. X AB wilde Y’s activiteiten beëindigen en de aandelen overdragen; zij voorzag daarbij een valutaverlies. Onder de Zweedse deelnemingsvrijstelling was het vervreemdingsresultaat (inclusief valuta-resultaat) op de aandelen vrijgesteld. X AB betoogde, verwijzende naar
Deutsche Shell,dat de Zweedse fiscale regeling haar investering in Y Ltd economisch riskanter maakte dan binnenlandse investeringen: een investering in Zweedse kronen in een Zweedse vennootschap had geen dergelijk valutarisico. De
Högsta förvaltningsdomstolstelde de volgende vraag aan het HvJ EU:
Deutsche Shell) de aanwezigheid van een valutaverlies. Vervolgens onderzocht zij of de vestigingsvrijheid werd beperkt door de niet-aftrekbaarheid van het valutakoersverlies. Nu de Zweedse regeling gelijkelijk voor zowel binnenlandse en buitenlandse deelnemingen gold, zag zij geen openlijke discriminatie. Ook mogelijke verkapte discriminatie door fiscale veronachtzaming van winsten en verliezen bij vervreemding van deelnemingen achtte zij niet aanwezig, althans niet op basis van de tot dan toe vastgestelde feiten:
Deutsche Shellniet op een ander antwoord omdat zich in die zaak haars inziens wél een verkapte benadeling van het grensgeval voordeed:
verlies. Indien de fiscale niet-inaanmerkingneming van een dergelijk verlies een beperking van de vrijheid van vestiging vormt, dan zou als spiegelbeeld – in het geval dat de lidstaat valutakoerswinsten zou belasten – ook de heffing van belasting op een valutakoerswinst een beperking vormen. Het paradoxale gevolg zou zijn, dat een lidstaat de vrijheid van vestiging zowel zou beperken door het heffen van belasting als door geen belasting te heffen over dergelijke situaties.
NTFR2015/941 de conclusie van Kokott in
X AB v Skatteverketals volgt:
De zaak Deutsche Shell: een belemmering?
kanvoordoen als het filiaal zich in het buitenland bevindt. Dat betekent, aldus A-G Kokott, dat het in het arrest Deutsche Shell ging om een verborgen benadeling van de grensoverschrijdende ten opzichte van de binnenlandse situatie. Bij deelnemingen ligt dat evenwel anders, een valutakoersrisico kan zich immers ook bij binnenlandse deelnemingen voordoen, aldus A-G Kokott.
Deutsche Shellen het hof zag zich dan ook genoopt het verschil in uitkomst te verklaren. Maar hij begon met het nog eens uiteenzetten van zijn toetsingskader, daarbij opnieuw géén discriminatietaal sprekende, maar slechts belemmeringentaal (‘bemoeilijken’, ‘minder aantrekkelijk’, ‘ervan kan worden afgehouden’):
onderscheidwerd gemaakt naargelang de deelneming binnenslands dan wel buitenslands werd aangehouden. Wellicht vanwege de gewenste uniformiteit met zijn rechtspraak op ander dan fiscaal terrein blijft het Hof dus, althans in abstracto, ook in belastingzaken zonder-onderscheid-belemmeringen verbieden, maar blijkt hij in concreto in belastingzaken geen belemmering te zien als de nationale belastingmaatregel
geen onderscheidmaakt tussen interne en grensoverschrijdende gevallen. Bovendien verplicht het EU-recht de lidstaten volgens het hof niet om hun belastingregelingen af te stemmen op het binnen de Unie voortbestaan van diverse valuta’s zonder vaste wisselkoers en van nationale functionele-valutaregelingen die aanvaarden dat vennootschapskapitaal wordt uitgedrukt in derdeland-valuta’s. Het HvJ EU overwoog:
NTFR2015/1761) meen ik dat r.o. 35 betekent dat de Zweedse belastingrechter niet meer op zoek hoeft naar mogelijke verborgen feitelijke discriminaties. Symmetrische (zowel winsten als verliezen) en zonder-onderscheid (zowel binnenslands als grensoverschrijdend) deelnemingsvrijstellingen zijn EU-rechtelijk zonder meer akkoord.
Deutsche Shellals volgt uit:
Deutsche Shell– te aanvaarden dat de noodzaak van symmetrische inaanmerkingneming van valutaverliezen én -winsten een verschil tussen grensoverschrijdende gevallen (niet aftrekbaar/niet belast) en interne gevallen (aftrekbaar/belast) kan rechtvaardigen (maar r.o. 40 kan ook zo gelezen worden dat het Hof terugkomt van het ‘altijd-ergens’-beginsel: een (valuta)verlies hoeft niet (meer) aftrekbaar te zijn in de enige jurisdictie waar het zichtbaar zou zijn of waar belastbare grondslag voorhanden is):
X ABimmers ging om een definitief verlies op vervreemding van een deelneming en beëindiging van de Britse activiteiten. Dat lijkt mij correct: als een lidstaat symmetrisch en zonder onderscheid afziet van uitoefening van zijn heffingsbevoegdheid, doet niet ter zake of datgene waartoe hij zijn heffingsbevoegdheid consistent en nondiscriminatoir
nietuitstrekt, definitief of tijdelijk is.
NTFR2015/1761) becommentarieerde
X AB v Skatteverketals volgt:
Relatie met de zaak Deutsche Shell
5.De Nederlandse regeling
6.Binnenlandse voegingsmogelijkheid? X Holding enGroupeStéria
X Holding [33] van het HvJ EU geeft volgens haar slechts een ontkennend antwoord op de vraag of Britse operationele verliezen op grond van EU-recht in Nederland in aftrek komen. Zij betoogt dat zij het valutaverlies op de vervreemding van haar UK deelneming (zie punt 71 verweer in cassatie) moet kunnen aftrekken en dat zulks met name volgt uit (de conclusie van de A-G Kokott in) de zaak
Groupe Stéria [34] voor het HvJ EU. De belanghebbende vergelijkt met name een Nederlandse moeder met een Nederlandse dochter met Britse operaties (vaste inrichting), die wél gevoegd kan worden, en een Nederlandse moeder met een Britse dochter met identieke Britse operaties, die niet gevoegd kan worden en daardoor valutaverliesaftrek zou mislopen die de eerstgenoemde moeder via de voeging van de dochter wél deelachtig zou worden.
Groupe Stériais inmiddels, na het voldingen van belanghebbendes zaak, gewezen op 2 September 2015. Het HvJ EU komt tot dezelfde conclusie als zijn A-G: het voordeel van de Franse
intégration fiscale– welke
intégrationslechts mogelijk is tussen in Frankrijk gevestigde vennootschappen – bestaande uit het niet hoeven bijtellen van 5% forfaitair bepaalde deelnemingskosten van overigens vrijgestelde deelnemingsvoordelen (bruto-vrijstelling), moet los van die
intégrationook verleend worden aan Franse moedervennootschappen met dochters gevestigd in een andere EU-lidstaat, nu dat voordeel van
intégration(volledige deelnemingsvrijstelling in plaats van 95%-vrijstelling) geenszins onlosmakelijk eigen is aan die
intégration, evenmin symmetrisch samenhangt met bepaalde nadelen van
intégrationen toekenning ervan aan moeders met buitenlandse deelnemingen ook niet leidt tot verstoring van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid. Het Hof overwoog onder meer:
X Holdingen
Groupe Stérianiet goed plaatsen. Als er fiscaalrechtelijk geen deelneming is, is fiscaalrechtelijk ook geen valutaresultaat op die deelneming zichtbaar. Het rekenvoorbeeld dat de belanghebbende bij verweer geeft, gaat dan ook niet over valutaresultaten op het geïnvesteerde kapitaal in een deelneming, maar over valutaresultaten op de buitenlandse operaties van een deelneming, dus niet over resultaten
opde deelneming, maar resultaten
vande deelneming. Ik neem daarom aan dat de belanghebbende het volgende betoogt: als een Nederlandse dochter met buitenlandse operaties in een v.i. buitenlandse activa bezit waarvan de waarde niet in euro’s luidt (zoals niet-euro-vorderingen) gevoegd wordt, komt een valutaresultaat op de activa van die dochter fiscaal tot uitdrukking bij de eenheid (afgezien van voorkoming van dubbele belasting). Een valutaverlies
op de activavan de gevoegde dochter dat tijdens het bestaan van de eenheid wordt geleden kan aldus worden geconsolideerd met het resultaat van de moeder. Bij latere ontvoeging worden de aandelen in de ontvoegde dochter op grond van art. 15aj(6) juncto art. 13d(8) Wet Vpb te boek gesteld op het fiscale eigen vermogen van de dochter (in euro’s, neem ik aan). De dochter neemt bij ontvoeging in beginsel de boekwaarden van de activa en passiva van de eenheid over (art. 15aj(5) Wet Vpb). Een latere (valuta)winst op die activa en passiva wordt dus belast bij de na ontvoeging zelfstandig belastingplichtige dochter. Een eventueel valutaresultaat
op het geïnvesteerde kapitaal(het soort valutaverlies dat de belanghebbende wil aftrekken) bij vervreemding van de deelneming (die ex art. 14 Besluit Pro fiscale eenheid geacht wordt plaats te vinden na de ontvoeging) valt buiten de eenheid en daarmee onder de deelnemingsvrijstelling die (her)intreedt na de verbreking van de eenheid. Voor de deelnemingsvrijstelling is het irrelevant of de vervreemde dochteraandelen uitgegeven zijn in euro’s, ponden, dollars of manat. Ook als het aandelenkapitaal van de dochter in vreemde valuta luidt, valt een valutaresultaat op vervreemding van de dochter (ook binnenslands) onder de deelnemingsvrijstelling. De waardeontwikkeling van de munt waarin de dochteraandelen zijn uitgegeven, is binnenslands noch voor de deelnemingsvrijstelling noch voor het resultaat van een fiscale eenheid van belang, zodat het EU-recht er niet toe noopt om in grensoverschrijdende situaties een koersverlies op aandelen in aftrek toe te laten.
vaneen dochter (behaald door die dochter op haar operaties) op één hoop worden gegooid met de resultaten van de moeder, maar heeft mijns inziens niet (ook nog) tot gevolg dat het resultaat
opde deelneming (waardeverandering van de dochteraandelen) bij de moeder tot uitdrukking komt (daarmee zou een verlies ook dubbel aftrekbaar worden). Negatieve operationele (valuta)resultaten
vaneen buitenlandse deelneming (op operaties of bezittingen of schulden van die dochter, zoals in het cijfervoorbeeld dat de belanghebbende geeft) komen, gezien het genoemde arrest
X Holding, niet op grond van EU-recht in aftrek op de winst van de Nederlandse moeder omdat daardoor de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid zou worden gefrustreerd.
opde deelneming).
Binneneen eenheid is geen deelneming zichtbaar en dus ook geen resultaat op die deelneming; bij verbreking van een eenheid door vervreemding van de deelneming valt het vervreemdingsresultaat inclusief valutaresultaat onder de deelnemingsvrijstelling; en bij vervreemding van een nooit gevoegde deelneming wier aandelen in vreemde valuta zijn uitgegeven valt het resultaat evenzeer onder de deelnemingsvrijstelling.
Groupe Stériais daarom mijns inziens niet relevant in belanghebbendes zaak.
7.Beoordeling van het middel en het verweer
X AB v Skatteverket, maakt de Nederlandse regeling onderscheid tussen ((valuta)resultaten op) interne en grensoverschrijdende deelnemingen. Anders dan (kennelijk, achteraf bezien) in de zaak
Deutsche Shell, is geen sprake van een omgekeerde symmetrie voor grensoverschrijdende gevallen (onbelast, onaftrekbaar) ten opzichte van interne gevallen (belast, aftrekbaar). Voor beide gevallen houdt de Nederlandse regeling in: positieve resultaten onbelast, negatieve onaftrekbaar.
X AB v Skatteverketniet aanwezig (zie 4.11 hierboven). Het Hof lijkt zelfs categorisch op dit punt omdat
rule of remoteness. [35] Zoals de A-G Kokott uiteenzet in paragraaf 44 van haar conclusie in de zaak
X AB v Skatteverket(zie 4.12 hierboven) is een mogelijk – per saldo – nadelig effect van symmetrische uitsluiting van positieve en negatieven valutaresultaten zo onzeker en indirect (niet zozeer causaal verbonden met de symmetrische belastingregel, als wel met de koersbewegingen die de belastingplichtige gekozen heeft op te zoeken en die per saldo ook positief kunnen zijn) dat van een verkeersbelemmering geen sprake is. Dat het economische risico van valutanadeel ‘vergroot’ wordt door de deelnemingsvrijstelling in buitenlandgevallen, kan niet gezegd worden: het risico van valuta
voordeelwordt evenzeer vergroot en bovendien gaat het, zoals ik eerder en boven (4.8) betoogde, om ondernemerskeuzen om die risico’s te lopen.
X AB v Skatteverketblijkt voorts dat als de nationale belastingmaatregel geen direct of indirect onderscheid naar plaats van secundaire vestiging maakt, zoals in casu, we niet toekomen aan rechtvaardigingen of proportionaliteitsbeoordeling. Het ‘altijd-ergens’-beginsel waarop de belanghebbende zich beroept, komt alleen aan de orde als er – in de ogen van het HvJ EU – wél onderscheid wordt gemaakt tussen interne en grensoverschrijdende deelnemingen, zoals in de zaak
Marks & Spencer II. [36] Belanghebbendes betoog dat het HvJ EU steeds wil voorkomen dat aftrekposten en verliezen in de EU tussen wal en schip raken, gaat dus niet op als de aangevallen belastingmaatregel geen onderscheid maakt. Dat valutaverliezen op de vervreemding van een deelneming naar hun aard niet bij de deelneming tot uitdrukking komen, verplicht een lidstaat op zichzelf tot niets. Dat een valutaverlies zich uitsluitend in de moederstaat kan voordoen, is (anders dan mogelijk nog in
Deutsche Shell) kennelijk niet (meer) relevant, vermoedelijk omdat (i) het Hof uit de zaak
X AB v Skatteverketheeft geleerd dat dat niet zo hoeft te zijn (ook in de dochterstaat kan een valutaresultaat tot uitdrukking komen als de dochter in een andere functionele valuta luidt dan de lokale) en (ii) dat net zo zeer zou gelden voor valutawinsten, die eveneens onbelast blijven. Ik merk overigens opnieuw op dat de belanghebbende, blijkens haar rekenvoorbeelden, die geen valutaresultaten
opeen deelneming, maar
vaneen deelneming (op een belegging door die deelneming) betreffen, (valuta)resultaten
opdeelnemingen en (valuta)resultaten
vandochters (operationele (valuta)resultaten op transacties en activa en passiva van de dochter) lijkt te verwarren.
Marks & Spencer II-arrest. Die asymmetrie is daarmee per definitie niet in strijd met EU-recht.
Groupe Stérianiet relevant.
X AB v Skatteverket, mede gezien de paragrafen 35 – 37 van de conclusie van de A-G Kokott, ten overvloede af dat als wél sprake zou zijn van een belemmering, deze inmiddels – anders dan in
Deutsche Shell– wél gerechtvaardigd kan worden door de vereiste fiscale symmetrie van de behandeling van winsten en verliezen.
hedge’-verweer van de Inspecteur en daarmee van ’s Hofs verwerping van het ‘geen werkelijk economisch verlies’-verweer van de Inspecteur. Als de Britse (indirecte) deelnemingen het overgrote deel van het in hen gestorte (ponden)kapitaal gestopt hebben in euro-vorderingen, lijkt mij in zoverre geen sprake te kunnen zijn van een fiscaal relevant valutaresultaat. Euro’s kunnen geen resultaat maken ten opzichte van euro’s. In welk valutaverschil-opzicht sprake zou zijn van ‘een te ver verwijderd verband’ tussen euro-investeringen en euro-herinvesteringen (r.o. 7.15 Hof) behoeft mijns inziens uitgebreide motivering, die ontbreekt.