Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
bis
1.Nadere conclusie
Deutsche Shell. [3] De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep afgewezen; het gerechtshof Den Haag daarentegen heeft het toegewezen. Ik heb het cassatieberoep van de Staatssecretaris daartegen als volgt samengevat:
Groupe Stéria [4] -argument dat als haar Britse deelneming in Nederland gevestigd was geweest, die gevoegd zou hebben kunnen worden in haar fiscale eenheid, waarna de valutaresultaten niet meer vrijgesteld zouden zijn geweest, maar aftrekbaar, omdat zij opgenomen zouden zijn in haar belastbare wereldwinst en bij de voorkoming van dubbele belasting (belastingvrijstelling met progressievoorbehoud) de valutaresultaten op het aan de Britse tak van de eenheid toerekenbare vermogen niet toegerekend zouden zijn aan die Britse tak omdat zij aldaar niet tot uitdrukking zouden kunnen komen.
Groupe Stéria(inderdaad) vrijelijk kunnen
cherry pickenuit hen conveniërende voordelen van de fiscale eenheid (die zij overigens in een grensoverschrijdende situatie helemaal niet kunnen aangaan, gegeven ‘s Hofs
X Holdingarrest [5] ) zonder enig nadeel te hoeven aanvaarden dat in een binnenlandgeval wél aanvaard moet worden. U stelde daarom drie vragen aan het HvJ EU, dat alleen toekwam aan uw eerste vraag. Die eerste vraag luidde als volgt:
fiscaalrechtelijk geen deelnemingsverhoudingen meer zichtbaar zijn (maar civielrechtelijk wel). Ik meen dat deze overweging geen inhoudelijke fout is, maar een onhandige formulering. Dat neemt niet weg dat het Hof inderdaad inhoudelijke fouten gemaakt lijkt te hebben, maar ik meen dat het een
acte clairis dat hij bij een correct begrip van de finesses van de Nederlandse fiscale eenheid en voorkomingstechniek tot dezelfde uitkomst gekomen zou zijn.
X AB v Skatteverket [7] af dat het Unierecht de lidstaten niet dwingt rekening te houden met wisselkoersrisico’s die voortvloeien uit het gegeven dat bepaalde lidstaten de euro niet als muntsoort gebruiken, maar twijfelde of
X Holding BV [8] en
X AB v Skatteverketzonder meer konden worden toegepast op belanghebbendes zaak, nu Nederland immers wél rekening houdt met valutaresultaten ter zake van een buitenlandse vaste inrichting en het Hof in de zaak
Deutsche Shell [9] heeft geoordeeld dat weigering van aftrek van een valutaverlies niet gerechtvaardigd kan worden doordat valutawinsten evenmin belast zijn.
gevoegdebinnenlandse dochter wier werkzaamheid zich in het VK bevindt) wel degelijk valutaresultaten op die Britse onderneming ten laste of ten gunste van het eenheidsresultaat komen.
shoppenuit – al dan niet geforceerde – valutaresultaten op niet-ingezeten dochters, want het leidt niet tot een ander antwoord. Uit ’s Hofs rechtspraak volgt duidelijk wat het antwoord moet zijn. U had mijns inziens dan ook, gegeven het genoemde arrest C-686/13,
X AB v Skatteverket, geen vragen hoeven stellen. Hoewel het Hof in dat arrest een verschil signaleert met de situatie in zijn eerdere onjuiste arrest
Deutsche Shell, [10] is mijns inziens duidelijk dat het Hof heeft ingezien dat
Deutsche Shellgeen fortuinlijk arrest was, en heeft hij het met
X AB v Skatteverketherroepen en volstrekte symmetrie tussen (on)belastbaarheid en (on)aftrekbaarheid terecht alsnog erkend als nondiscriminatoir. Uit
X AB v. Skatteverketvolgt dat valutarisico’s ondernemersrisico’s zijn die voortvloeien uit dispariteiten, namelijk uit verschil in nationale muntsoort, en dat de lidstaten niet fiscaal hoeven te compenseren voor nadelige koersbewegingen van een munt van een andere lidstaat (mits zij voordelige koersbewegingen dan evenmin belasten), maar dat zij dat wel
mogendoen, en
zozij dat doen, zij daardoor symmetrisch bevoegd zijn om voordelige koersbewegingen te belasten.
Deutsche Shellherroepen. Weliswaar past Nederland een omgekeerde symmetrie toe bij v.i.’s in vergelijking met deelnemingen, maar het is sinds de zaak
Columbus Container Services [11] vaste rechtspraak van het HvJ EU dat een lidstaat buitenlandse vaste inrichtingen niet hetzelfde hoeft te behandelen als buitenlandse deelnemingen, als hij ze maar niet ongunstiger behandelt dan vergelijkbare binnenlandse filialen, zoals u zelf overigens al constateerde in uw verwijzingsuitspraak (r.o. 2.9.2) door te wijzen op r.o. 40 van ’s Hofs arrest in de zaak C-337/08,
X Holding BV.
Haribo en Salinen [12] dat de keuze van de methode van voorkoming van – bij een deelneming: economische; bij een v.i.: juridische – dubbele belasting in binnenland – en buitenlandgevallen niet gelijk hoeft te zijn, mits zij uiteindelijk een ‘evenwaardig’ resultaat opleveren. Dat lijkt mij het geval: gegeven dat valutakoersbewegingen onvoorspelbaar zijn en beide kanten op kunnen gaan, lijkt mij een regime niet-belast/niet-aftrekbaar voor deelnemingen evenwaardig aan een regime belast/aftrekbaar voor v.i.’s.
2.De feiten, het geding in feitelijke instanties en het cassatieberoep
Deutsche Shellvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank heeft geoordeeld dat het EU-vestigingsrecht zich weliswaar verzet tegen uitsluiting van aftrek van een definitief geleden valutaverlies bij repatriëring van in een andere EU-lidstaat geïnvesteerd dotatiekapitaal, maar dat het in casu niet gaat om een op concernniveau definitief valutaverlies. Zij heeft belanghebbendes beroep daarom ongegrond verklaard.
Deutsche Shellgevolgde redenering geldt volgens het Hof niet slechts voor vaste inrichtingen, maar ook voor deelnemingen. Het nadeel van niet-aftrekbaarheid van een valutaverlies vloeit niet voort uit verdeling van heffingsbevoegdheid, nu valutaresultaten zoals de litigieuze alleen bij de moeder tot uitdrukking kunnen komen.
Deutsche Shell, geen onderscheid maakt, nu Nederland niet bij belastingverdrag afstand heeft gedaan van zijn heffingsbevoegdheid, maar bij de bepaling van zijn nationale heffingsgrondslag, door (nondiscriminatoire) deelnemingsvrijstelling. Het Hof achtte niet relevant op welke wijze van heffingsrecht is afgezien. Volgens het Hof is vooral van belang dat het verlies naar zijn aard alleen in Nederland tot uitdrukking kan komen.
hedgevoordoet en de investeerder geen werkelijk koersrisico loopt, zodat economisch bezien slechts een relatief beperkt verlies is geleden. Het Hof achtte het verband tussen de investering en de herinvestering te ver verwijderd.”
X AB v Skatteverketover de zijns inziens vergelijkbare Zweedse deelnemingsvrijstelling. Omdat valutarisico’s beide kanten op kunnen werken, is er volgens A-G Kokott ook geen sprake van verborgen ongelijke behandeling. Mocht toch sprake zijn van een belemmering, dan wordt die volgens de Staatssecretaris gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het Nederlandse belastingstelsel te verzekeren. Een lidstaat hoeft bovendien slechts rekening te houden met buitenlandse verliezen als zij definitief lokaal onverrekenbaar zijn. In casu is het verlies niet definitief. Materieel treedt geen wijziging op in belanghebbendes valutakoersrisico, omdat het valutakoersresultaat in dezelfde mate is terug te vinden in de waarde van haar deelneming in de Luxemburgse tussenhoudster. Het Hof is volgens de Staatssecretaris ten slotte onvoldoende ingegaan op de volgens hem onweersproken stelling van de Inspecteur dat zich een natuurlijke
hedgevoordoet. De Staatssecretaris acht zich gesteund door het inmiddels gewezen arrest
X AB v Skatteverketvan het HvJ EU.”
ingezetenvennootschap met vergelijkbare Britse activiteiten als de belanghebbende (dus met een Britse vaste inrichting (v.i.)), uiteenzettende dat op basis van de
Rupiah-arresten [15] bij de wereldwinstbepaling van zo’n fiscale eenheid rekening wordt gehouden met valutaresultaten op de vermogens-bestanddelen die aan de v.i. van de fiscale eenheid moeten worden toegerekend. Dat wijkt af van belanghebbendes fiscale behandeling: de valutaresultaten op de Britse deelnemingen blijven door werking van de deelnemingsvrijstelling geheel buiten de winstbepaling van de belanghebbende. U concludeerde:
binnenlandsedochter met een Britse v.i. die in een fiscale eenheid wordt opgenomen en (ii) een binnenlandse dochter die in een afwijkende functionele valuta boekhoudt en aangifte doet in die valuta en daarom niet kan worden gevoegd in de fiscale eenheid:
X Holding BV [18] een per-voordeel-benadering van de voordelen van de fiscale eenheid had verworpen omdat zo’n benadering, kort gezegd, een uitnodiging tot
cherry pickingzou inhouden. ‘s Hofs arresten in de zaken
Groupe Stéria SCA [19] en
Finanzamt Linz [20] hadden u echter aan het twijfelen gebracht. U benadrukte dat een verschil tussen die zaken en belanghebbendes geval was dat “in het onderhavige geval (…) het verschil in behandeling evenwel rechtstreeks voort[vloeit] uit de consolidatie binnen een fiscale eenheid.” U vroeg u af of het potentiële (bij voeging) verschil in behandeling tussen valutaresultaten op buitenlandse deelnemingen en valutaresultaten op v.i.’s van binnenlandse deelnemingen kan worden gerechtvaardigd vanuit de noodzaak om de samenhang van het fiscale eenheidsregime te handhaven:
in casuconstateren van een verboden discriminatie hopeloze complicaties en een wonderlijke anomalie zou oproepen:
BNB2016/233) vroeg zich af of wel van belang is wat er zou zijn gebeurd als de Britse dochtermaatschappij gevoegd zou zijn, welke keuzes zij zou hebben gemaakt en welke overige gevolgen zich zouden hebben voorgedaan. Hij suggereerde dat de eerste vraag al was beantwoord in
Groupe Stéria:
Groupe Sterianiet reeds beantwoord?”
Vakstudie-Nieuwsvroeg zich af of uw eerste prejudiciële vraag niet heel kort kon worden afgedaan, maar dan onder verwijzing naar
X AB v Skatteverket:
4.Het antwoord van het HvJ EU
BNB2018/92) is kritisch. Hij wijst op ’s Hofs onjuiste veronderstelling dat binnen een fiscale eenheid nog aandeelhouders- en deelnemingsverhoudingen tussen de gevoegde lichamen bestaan. Hij suggereert opportunistische motieven bij het Hof, namelijk het vermijden van het moeten beantwoorden van de tot hopeloze complicaties leidende tweede en derde vraag:
Vakstudie-Nieuws(2018/11.14) is het opgevallen dat het HvJ EU de Nederlandse regeling ten onrechte zo lijkt te begrijpen dat binnen de fiscale eenheid deelnemingsverhoudingen zichtbaar blijven. Zij ziet daarin echter geen reden om nieuwe vragen aan het HvJ EU te stellen:
NTFR2018/563) vindt ’s Hofs antwoord ‘heerlijk simpel’:
5.De reacties van de partijen op het antwoord van het HvJ EU
6.Filialisering
Koken
De Vries [24] gaan uit van het ontstaan van een vaste inrichting in het buitenland ter zake van de gevoegde buitenlandse vennootschap.
BNB1988/331 oordeelde over een Nederlands geïncorporeerde, doch feitelijk in het buitenland gevestigde vennootschap: [25]
BNB1998/47 heeft u dit uitgewerkt. U oordeelde dat ter zake van een in een Nederlandse fiscale eenheid opgenomen Nederlandse BV met louter Ierse bezigheden een vaste inrichting in Ierland ontstond: [26]
BNB2008/305 [27] kwam de vraag aan de orde of Europees recht noopte tot het toestaan van een grensoverschrijdende fiscale eenheid. In de conclusie ben ik ingegaan op de internationaalrechtelijke gevolgen van zo’n eenheid, met name op het aspect van de vaste inrichting. Ik concludeerde:
X Holding [28] gewezen, waaraan u de conclusie [29] verbond dat een grensoverschrijdende fiscale eenheid niet toegestaan hoefde te worden, zodat filialisering niet hoefde te worden behandeld.