ECLI:NL:PHR:2015:2220
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-melding vermogensbestanddelen
Verzoekster werd toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar het hof vernietigde het eerdere vonnis en beëindigde de regeling omdat verzoekster niet had gemeld dat zij aandeelhouder en bestuurder was van twee Tsjechische vennootschappen, een pensioen ontving en een aanzienlijke verkoopopbrengst had besteed zonder dit inzichtelijk te maken.
Het hof weigerde kennis te nemen van een laat ingediend verweerschrift van verzoekster, omdat de tegenpartij dit niet tijdig kon bestuderen en zich niet kon voorbereiden. Verzoekster stelde dit aan de orde in cassatie, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het verweerschrift niet had toegelaten vanwege het beginsel van hoor en wederhoor.
Verder oordeelde het hof dat verzoekster niet te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, omdat zij relevante vermogensbestanddelen niet had gemeld. Het hof vond dat de stelplicht en bewijslast bij de indiener van het beëindigingsverzoek lagen, maar dat verzoekster onvoldoende bewijs had geleverd dat deze vennootschappen waardeloos waren en dat zij het pensioen en de verkoopopbrengst correct had besteed.
De Hoge Raad verwierp alle klachten van verzoekster over de motivering en toepassing van het procesrecht en het materiële recht, en bevestigde daarmee het arrest van het hof dat de schuldsaneringsregeling terecht werd beëindigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-melding van vermogensbestanddelen.