Conclusie
1.Inzet van de zaak
in dit stadiumniet in behandeling zullen worden genomen, maar dat dit eerst zou gebeuren nadat een nader onderzoek was ingesteld en vraag 3 was verduidelijkt.
2.Feiten
3.Het verloop van de procedure voor zover niet reeds behandeld
nte veroordelen tot betaling van 60% van die schade, nader op te maken bij staat. Subsidiair wordt in plaats van 60% 50% gevorderd. De juridische grondslag van deze vorderingen wordt in de dagvaarding ampel uitgewerkt.
4.Mijn eerdere conclusie
in dit stadiumniet in behandeling zullen worden genomen. De Rechtbank ware in overweging te geven een onderzoek in te stellen naar de onder 5 en 6 genoemde feiten en omstandigheden. Bovendien zal in elk geval vraag 3 eerst moeten worden verduidelijkt zoals hiervoor onder 8 aangegeven.”
5.Inleidende opmerkingen
medehet oog te hebben op bestuurders van de betrokken verzekeraars.
toekomstigeellende buiten de deur kunnen houden als ze hun polisvoorwaarden aanpassen. Alle nog niet verjaarde claims kunnen nog worden ingediend, wat in het licht van recente rechtspraak (waarop ik thans niet verder inga) potentieel een lawine van claims zou kunnen veroorzaken. Zeker in een tijd waarin het aansprakelijkheidsrecht (ook in Nederland) big business lijkt te zijn geworden, is dat spelen met vuur. Hetgeen hiervoor onder 3.2 sub d werd gememoreerd, is daar m.i. een uiting van. Anders gezegd: de onder 5.5 geschetste strategie is
op zijn bestriskant als het spookbeeld werkelijkheid zou worden.
6.Spelen met vuur
naar Nederlands rechtals zodanig staan als een huis. [30] Mogelijk – ik wil daarover thans niet gaan speculeren – zal aan de randen wat kunnen worden geknaagd, maar als dat al zo is, zal dat vermoedelijk heel beperkt zijn. [31] Zijn de problemen daarmee van tafel? Het antwoord is: neen, dat zijn ze niet. Ze zijn slechts niet onaanzienlijk verkleind.
serieusmoet worden nagedacht over polistechnische reacties, het duidelijk en fair informeren van verzekerden en aspirant verzekerden wat wél en niet kan worden gedekt en waarom dat het geval is en last but not least, zou het kunnen gezamenlijk en in Europees verband, bij de verantwoordelijke personen in het bedrijfsleven en de politiek aan de bel trekken dat we af moeten van de ramkoers die allerwege wordt ingezet: het ongebreideld plukken van de dag en de ellende naar de (nabije) toekomst doorschuiven.
7.Het Hangmat-arrest
moet in het bijzonder worden onderzocht of het relativiteitsvereiste aan vergoeding van de schade in de weg staat. (…)
hangt de te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht als reikwijdtevan art. 6:174. Die keuze valt uit ten gunste van het standpunt van [verweerster].
algemene doelstellingvan de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:174
dat op de benadeelden niet het risico wordt afgewenteld dat niet of niet eenvoudig kan worden bepaald en bewezen wie voor de door het gebrek veroorzaakte schade eventueel aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de schuldaansprakelijkheid van art. 6:162 BW Pro. Deze beschermingsgedachte gaat evenzeer op voor de benadeelde medebezitter.
het belang van de benadeelde medebezitter, die zijn schade niet (eenvoudig) elders vergoed kan krijgen, om te worden beschermd door het aannemen van aansprakelijkheid van de (mede)bezitter en de daardoor geboden mogelijkheid van verhaal onder de aansprakelijkheidsverzekering van de andere medebezitter, een zwaarwegend belang is. Zoals in de onder 4.3.3 opgenomen passage uit de wetsgeschiedenis is vermeld, wordt vanouds aan de benadeelde het recht gegeven zich voor schadevergoeding te wenden tot degene tot wiens vermogen het bouwwerk behoort. Met dit uitgangspunt strookt niet elke aanspraak jegens de bezitter aan de medebezitter te onthouden op de enkele grond dat deze opstal ook tot het vermogen van de medebezitter behoort. Het feit dat degene die als (enig) bezitter schade ondervindt als gevolg van een gebrek in de opstal niet zichzelf of zijn aansprakelijkheidsverzekeraar kan aanspreken en de eigen schade zelf moet dragen, is geen voldoende klemmende reden de benadeelde medebezitter geen enkele aanspraak jegens de andere bezitter(s) toe te kennen.
Het is, vorenbedoeld uitgangspunt in aanmerking genomen, uit maatschappelijk oogpunt redelijker de schade van de benadeelde over alle bezitters te verdelen dan uitsluitend de benadeelde medebezitter de schade te laten dragen.
niet concreet gemotiveerd aangevoerd dat in het geval een aanspraak van medebezitters op grond van art. 6:174 wordt Pro aangenomen, daardoor wezenlijk afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tegen een relatief geringe premie de wettelijke aansprakelijkheid ter zake van schade door gebrekkige opstallen te verzekeren. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat de vrees voor een onbeheersbare toename van claims als de onderhavige bewaarheid zal worden. In de polisvoorwaarden en door middel van de premiestelling zal de verzekeraar bovendien met de hier bedoelde aanspraken van medebezitters rekening kunnen houden.”
blijktdat de wetgever in art. 6:174 BW Pro daarop het oog heeft gehad (het tegendeel blijkt trouwens evenmin), het begrip “derde” heeft (in dit soort zaken) geen duidelijke, laat staan algemeen aanvaarde, betekenis. Het is zeker verdedigbaar dat een medebezitter rechtens geen derde is ten opzichte van een andere medebezitter. Maar dwingend is die benadering allerminst.
nietals derde kan worden aangemerkt, maar ook voor de onderhavige zaal geldt dat evenzeer pleitbaar is dat zij wel als derde geldt. Of algemener gezegd: het is zeker niet onverdedigbaar dat ieder ander dan de benadeelde ipso facto en ipso iure een derde is.
9.De reikwijdte van het Hangmat-arrest: de doctrine
erzal zijn om vast te stellen wat er aan de hand is (was).