Conclusie
1.De prejudiciële vragen
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
quick scanmoeten uitvoeren. Volgt daaruit dat er geen of onvoldoende actief is en er geen vermoedens van bestuurdersaansprakelijkheid zijn, dan zou een faillissement achterwege moeten blijven. In andere voorstellen wordt gepleit voor een systeem waarbij de curator ingeval van een ontoereikende boedel van staatswege een vergoeding ontvangt. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Voorontwerp Insolventiewet [8] en het voorstel dat is gedaan door de zogenoemde Werkgroep Lege Boedels. Deze werkgroep heeft voorgesteld voor de afwikkeling van (vrijwel) lege boedels een systeem te introduceren waarin de curator voor twintig uren een basisvergoeding ontvangt. [9]
“de curator, die krachtens de wet is belast met beheer en vereffening van de failliete boedel, geen eigen belang heeft tot het voorkomen van vergeefse kosten; dat hij evenmin is aangesteld om te waken voor het openbaar belang, behoudens in het geval dat sprake zou zijn van flagrante schending van bepalingen van openbare orde”. [21] Ook de rechtbank Rotterdam was – in 1983 – van oordeel dat de curator geen belanghebbende kon zijn: de curator zou, anders dan ten gevolge van het vonnis waarin hij als curator is aangesteld, niet tot de gefailleerde in enige rechtsbetrekking staan. [22]
partij(curs. A-G) die in het ongelijk wordt gesteld, worden belast met de voldoening van de door de rechtbank vastgestelde faillissementskosten en salaris van de curator”. Mr. Bruning baseert zijn stelling op de wetsgeschiedenis van art. 15 Fw Pro: [30]
nietmede de bestuurder van de failliet verklaarde vennootschap te worden verstaan. Ondanks het feit dat de rechter “volle vrijheid” wordt gelaten, biedt de wetsgeschiedenis hiervoor geen grond. Het gaat daarin kennelijk slechts om enerzijds de schuldenaar en anderzijds om een schuldeiser als aanvrager. Het ligt ook niet voor de hand de bestuurder als de aanvrager aan te merken. De bestuurder in persoon is immers
geen partij. Het is
de vennootschapdie, vertegenwoordigd door haar bestuurder,
eigenaangifte faillissement doet. De bestuurder kan dus niet worden beschouwd als
degene die de faillietverklaring heeft aangevraagd(art. 15 lid 3 Fw Pro).
wezenlijkbelang hebben om te kiezen voor het verzet boven het voordragen van het faillissement voor opheffing. Vooralsnog lijkt mij het bestaan van dit belang echter niet onaannemelijk. Het is aan de curator om zijn belang in een voorliggend geval toe te lichten.
sneller(d.w.z.: op een eerder tijdstip) wordt vernietigd dan wanneer het wordt opgeheven bij gebrek aan baten. De curator kan het betreffende dossier dus sneller sluiten en is eerder “curator-af”. Ik zou menen dat hierin, los van het aantal bestede uren die niet worden vergoed, een niet onbelangrijk positief bijgevolg is gelegen.
het verzoek tot faillietverklaringop eigen aangifte is afgewezen. In zo’n uitspraak overwoog de rechtbank ’s-Gravenhage als volgt: [36]
het (op ordentelijke wijze) verdelen door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers. [42] Dit is in lijn met de Memorie van Toelichting bij de Faillissementswet, die het faillissement omschrijft als “een gerechtelijk beslag op het geheele vermogen des schuldenaars ten behoeve zijner gezamenlijke schuldeischers”. [43] Ook in recentere rechtspraak wordt steevast hiervan uitgegaan als (hoofd)doel van het faillissement. [44]
zijn onderzoek nog niet had afgerond. Uit de conclusie van A-G Bakels blijken de feiten nog duidelijker:
in beginsel mogelijkis dat, op grond van misbruik van bevoegdheid, een faillissementsaanvraag wordt afgewezen omdat voor de aanvrager van het faillissement geen positief gevolg is te verwachten (wegens de afwezigheid van vermogen). Deze conclusie kan echter pas worden getrokken nadat de curator zijn onderzoek naar het vermogen van de schuldenaar heeft
afgeronden dat onderzoek
voldoende grondigis geweest.
eigen aangiftefaillissement, is wat dit betreft mijns inziens niet relevant. Ik noem in dit verband een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 mei 2015. [53] De rechtbank overwoog dat de schuldenaar, anders dan de derde-aanvrager, weet of behoort te weten dat er niets te vereffenen valt, zodat het onderzoek door de curator in dat geval geen toegevoegde waarde heeft. Ik zie dit anders. Ook bij een eigen aangifte is het de curator die (nader) onderzoek dient te doen naar de stand van de boedel en daarbij onder meer dient te onderzoeken of er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Op de stellingen van de bestuurder kan dus niet zomaar worden afgegaan.
geen batenzijn en dat er
geen enkele aanleiding is voor de verwachting dat alsnog actief zal kunnen worden gegenereerd. De rechter zou zich daarvan niet te snel moeten laten overtuigen. Het zou wat mij betreft moeten gaan om gevallen die
zonneklaarzijn. [57] Op die manier wordt ook voorkomen dat curatoren verzetprocedures starten om op een gemakkelijke wijze af te komen van “lastige” faillissementen: faillissementen waarin nader (tijdrovend) onderzoek nodig is, maar tegelijkertijd de kans reëel is dat er uiteindelijk geen of vrijwel geen baten zullen blijken te zijn.
ongegrondwordt verklaard. Dát zou immers wel tot een extra belasting leiden. Ook om deze reden is het van belang de verzetmogelijkheid te beperken tot de evidente gevallen.
indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, de rechtspersoon alsdan ophoudt te bestaan. [64] De rechtspersoon blijft na ontbinding slechts voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is (lid 5). In de artikelen 2:23 e.v. BW wordt de vereffeningsprocedure behandeld. In lid 4 van art. 2:23a BW is vermeld dat de vereffenaar aangifte tot faillietverklaring doet, indien hem blijkt dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen.
geen batenmaar
wel schuldenzijn. In de hiervoor genoemde rechtspraak waarin misbruik van bevoegdheid is aangenomen, wordt art. 2:19 lid 4 BW Pro strikt uitgelegd: als er op het tijdstip van de ontbinding geen baten zijn houdt de vennootschap op te bestaan, ongeacht of er schulden zijn. [65] In deze gedachtegang wordt aan art. 2:23a lid 4 BW niet toegekomen, omdat er van vereffening geen sprake is. [66]
en van schulden(curs. A-G) vereffening geboden is, al dan niet in faillissement. [67] Volgens Kroeze gaat lid 5 van art. 2:19 BW Pro dan vóór lid 4. [68] Volgens S. Renssen is turboliquidatie niet mogelijk ingeval de vennootschap schulden heeft. Renssen is uitgesproken kritisch over de rechtspraak die vennootschappen met een (vrijwel) lege boedel niet toelaat tot het faillissement en “verwijst” naar de turboliquidatie. Volgens haar is deze praktijk niet in lijn met de bedoeling van de wetgever. Ook zou faillissementsfraude hiermee worden gestimuleerd en zouden schuldeisers worden benadeeld. Tot slot zou, nog steeds volgens Renssen, de ontbindingsprocedure van art. 2:19 lid 4 BW Pro slechts een schijnalternatief zijn, omdat de lege vennootschap via art. 2:23a lid 4 BW alsnog bij het faillissement uitkomt. [69]
voldoende grondigen
afgerondonderzoek door de curator kan worden vastgesteld dat er geen baten zijn en dat er geen enkele aanleiding is voor de verwachting dat alsnog boedelactief zal kunnen worden gegenereerd. Bij de beoordeling in de verzetprocedure kan de rechter mede betrekken dat de omstandigheid dat een vennootschap schulden heeft niet aan ontbinding op grond van art. 2:19 lid 4 BW Pro in de weg staat.