Conclusie
1.[A],
[B],
1.SNS Reaal N.V.,
SNS Property Finance B.V.,
1.Inleiding en feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel van [A] c.s. (zaaknr. 15/00581)
onderdeel I. Volgens de klacht heeft het hof slechts getoetst aan de hand van de hierboven genoemde uitspraak van 29 mei 2009, dat een invulling geeft aan art. 5.2.1 sub b Protocol. Het hof had ook moeten toetsen aan de afzonderlijke criteria van (naar ik begrijp) art. 9.4.1 [13] en 5.2.1 Protocol.
onderdeel II.1heeft het hof daarmee miskend dat integriteitgerelateerde gedragingen niet afzonderlijk mogen worden bezien, maar in onderling verband en samenhang.
onderdeel II.2is het oordeel onbegrijpelijk omdat het hof de omstandigheden waaronder de facturen tot stand zijn gekomen en zijn betaald niet in de motivering heeft betrokken.
Het is naar het oordeel van het hof dan ook voldoende aannemelijk dat de maatregel in hun geval, gelet op hun werkervaring tot nu toe, de facto op een vrijwel volledige uitsluiting om hun beroep uit te oefenen neerkomt. Die zware repercussie wordt voor een belangrijk deel gerechtvaardigd door het gegeven dat financiële integriteit in het beroep dat zij bekleden hoog in het vaandel staat en dat van hen, meer nog dan van ieder ander, op dat punt betrouwbaarheid en onkreukbaarheid mag worden verwacht.
onderdeel Vis onbegrijpelijk dat het hof heeft beslist dat SNS PF een bank is in de zin van artikel 1.1 Wft en zoals bedoeld in het Protocol. Volgens het onderdeel had het hof nader moeten motiveren waarom de bedrijfsactiviteiten aan een bank of het bankwezen relateren en waarom de verdenking SNS Reaal noopt betrokkenen te registreren, terwijl de handelingen ten aanzien van SNS PF hebben plaatsgevonden.
4.Bespreking van het middel van SNS Reaal (zaaknr. 15/00584)
onderdeel 2.ais onbegrijpelijk de overweging dat SNS Reaal op zichzelf niet betwist dat de opname van [A] c.s. in de registers het nagenoeg wegvallen van hun inkomen heeft veroorzaakt. SNS Reaal heeft dit namelijk wel betwist door aan te voeren dat er een veelheid aan activiteiten is, die [A] en [B] kunnen verrichten (zoals nader uiteengezet in het onderdeel).
onderdeel 2.bheeft het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van het verzoek van [A] c.s. aangevuld door te overwegen dat SNS Reaal miskent dat de professie van [A] c.s. meebrengt dat zij een EVR-registratie aan een eventuele toekomstige werk- of opdrachtgever hebben te melden en dat deze vervolgens minder genegen zal zijn om met hen in zee te gaan.
onderdeel 1.aheeft het hof miskend dat bij de beoordeling of is voldaan aan het beginsel van proportionaliteit, moet worden beoordeeld of de inbreuk op de belangen van [A] c.s. onevenredig is in verhouding met het door de EVR-registratie te dienen doel. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in de beoordeling worden betrokken, waaronder de doeleinden en de noodzaak van de EVR-registratie, de ernst en de verwijtbaarheid van het gedrag van [A] c.s., hun maatschappelijke positie, hun gebrek aan inzicht in de ernst van hun gedragingen en daarmee het gevaar voor recidive.
onderdeel 1.bonvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar het met de EVR-registratie te dienen doel en de verdere omstandigheden van het geval in zijn beoordeling heeft betrokken.
Onderdeel 1.cbetoogt dat het oordeel over de termijn van registratie onbegrijpelijk of voldoende is gemotiveerd omdat, voor zover sprake zou zijn van een beroepsblokkade, die niet het gevolg is van de registratie in het EVR maar van het onderliggende gedrag van de betrokkenen en de publiciteit daaromtrent.