Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft de weigering van ABN AMRO om aan een oud-werknemer, die elders wil gaan werken, een integriteitsverklaring af te geven op grond van de Integriteitscode van de Nederlandse Vereniging van Banken. De werknemer was van 1974 tot 2005 in dienst bij ABN AMRO en trad daarna in dienst bij Fortis Bank. ABN AMRO weigerde de verklaring vanwege gedragingen die zij als niet-integer beschouwde.
De kantonrechter kende de werknemer gelijk, maar het hof Amsterdam oordeelde dat ABN AMRO terecht de verklaring had geweigerd op basis van verschillende gedragingen van de werknemer, waaronder het manipuleren van interne regels en het tonen van een gebrek aan respect voor medewerkers. Het hof beoordeelde de gedragingen echter afzonderlijk en concludeerde dat sommige gedragingen onvoldoende waren om de verklaring te weigeren.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de gedragingen niet alleen afzonderlijk, maar ook in onderlinge samenhang had moeten beoordelen. Het oordeel van het hof is daardoor onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. De werknemer wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling.