In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag de betrokkene veroordeeld tot betaling van €28.119 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene werd cassatie ingesteld tegen het oordeel van het hof dat ondanks overschrijding van de inzendtermijn geen compensatie in de betalingsverplichting werd toegepast.
De Hoge Raad overweegt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de overschrijding van bijna een jaar inzendtermijn gecompenseerd zou zijn door een voortvarende behandeling, terwijl de zaak in hoger beroep ruim twee jaar en vier maanden heeft geduurd. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de redelijke termijn niet was overschreden.
De Hoge Raad stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken doorgaans leidt tot vermindering van het ontnemingsbedrag, tenzij de zaak met bijzondere voortvarendheid alsnog is behandeld. Hier is dat niet het geval. Om doelmatigheidsredenen doet de Hoge Raad zelf uitspraak en vermindert het ontnemingsbedrag naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.