ECLI:NL:PHR:2015:253

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2015
Publicatiedatum
20 maart 2015
Zaaknummer
13/06161
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontnemingsvordering wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag de betrokkene veroordeeld tot betaling van €28.119 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene werd cassatie ingesteld tegen het oordeel van het hof dat ondanks overschrijding van de inzendtermijn geen compensatie in de betalingsverplichting werd toegepast.

De Hoge Raad overweegt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de overschrijding van bijna een jaar inzendtermijn gecompenseerd zou zijn door een voortvarende behandeling, terwijl de zaak in hoger beroep ruim twee jaar en vier maanden heeft geduurd. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de redelijke termijn niet was overschreden.

De Hoge Raad stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken doorgaans leidt tot vermindering van het ontnemingsbedrag, tenzij de zaak met bijzondere voortvarendheid alsnog is behandeld. Hier is dat niet het geval. Om doelmatigheidsredenen doet de Hoge Raad zelf uitspraak en vermindert het ontnemingsbedrag naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie

Nr. 13/06161P
Zitting: 27 januari 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte=betrokkene]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 29 november 2013 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 28.119 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (13/06162), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Het
middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de betalingsverplichting niet wordt verminderd ondanks de overschrijding van de inzendingstermijn. Het oordeel dat er, gelet op de voortvarende behandeling van de procedure in hoger beroep, geen reden voor vermindering van de betalingsverplichting bestaat, acht de steller van het middel onbegrijpelijk.
4. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.
(i) Bij uitspraak van 5 juli 2011 heeft de Rechtbank Rotterdam op de ontnemingsvordering beslist.
(ii) Op 8 juli 2011 is namens de betrokkene tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
(iii) De stukken van het geding zijn op 6 februari 2013 door het hof ontvangen.
(iv) Ter terechtzitting van 7 augustus 2013 is het onderzoek ter terechtzitting op verzoek van de verdediging (in verband met verhinderingen van de betrokkene en de raadsman de terechtzitting van 7 augustus 2013 bij te wonen) voor onbepaalde tijd geschorst.
(v) De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 november 2013.
(vi) Het hof heeft uitspraak gedaan op 29 november 2013.
5. Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2013 heeft de raadsman van de betrokkene gewezen op het tijdsverloop en het hof, onder verwijzing naar een overzichtsarrest van de Hoge Raad over de (rechtsgevolgen van schending van de) redelijke termijn, [1] verzocht “rekening te houden met een strafreductie voor zowel de hoofdzaak als de ontnemingsvordering”. Het hof heeft daarop het volgende overwogen:
“Het hof heeft acht geslagen op het feit dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt hierbij in aanmerking het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep tegen het vonnis van 5 juli 2011 en de datum van ontvangst van het dossier ter griffie van het hof op 6 februari 2013. De inzendtermijn is met bijna een jaar overschreden. Gelet echter op de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, ziet het hof geen reden voor enige vorm van compensatie bij het opleggen van de betalingsverplichting ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
6. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Als uitgangspunt geldt dat het geding in hoger beroep met een einduitspraak moet zijn afgerond binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. [2] Daarnaast geldt in de appelfase dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag dat zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. [3] Aan overschrijding van de inzendingstermijn behoeven evenwel geen rechtsgevolgen te worden verbonden indien de zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting wordt aangebracht en behandeld. De overschrijding van de inzendingstermijn wordt daardoor gecompenseerd. [4]
7. Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is overschreden omdat de stukken bijna een jaar na de uiterste inzendingstermijn van acht maanden ter griffie van het hof zijn binnengekomen. [5] Het hof heeft daaraan echter toegevoegd dat het, gelet op de voortvarende behandeling van het hoger beroep, geen reden ziet voor enige vorm van compensatie bij het opleggen van de betalingsverplichting ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat oordeel getuigt hetzij van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het toepasselijke toetsingskader, hetzij is het oordeel onbegrijpelijk. Onder 4. van deze conclusie is aan de orde gekomen dat de Hoge Raad in dit verband als maatstaf hanteert of het hoger beroep alsnog “met bijzondere voortvarendheid” ter terechtzitting is aangebracht en behandeld. Voor zover de overwegingen in de bestreden uitspraak aldus moeten worden begrepen dat daarin als zijn oordeel besloten ligt dat de zaak met bijzondere voortvarendheid ter zitting is aangebracht en behandeld, is het in het licht van de omstandigheden van het geval niet begrijpelijk. Nu namens de betrokkene op 8 juli 2011 hoger beroep is ingesteld en de einduitspraak van het hof dateert van 29 november 2013, heeft de behandeling van het hoger beroep zelfs meer dan twee jaren en vier maanden in beslag genomen. Daarbij merk ik voor de volledigheid nog op dat het onderzoek ter terechtzitting weliswaar op verzoek van de verdediging is geschorst, maar dat op het moment van schorsing ook reeds meer dan twee jaren waren verstreken sedert het instellen van het hoger beroep.
8. Gelet op het voorafgaande, is het middel terecht voorgesteld.
9. Het slagen van het middel behoeft evenwel niet te leiden tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. Daarbij merk ik nog op dat ik in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (nr. 13/06162) heb geconcludeerd dat aan de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden, omdat het hof heeft volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. In de onderhavige zaak kan de Hoge Raad het vastgestelde ontnemingsbedrag naar de gebruikelijke maatstaf verminderen. [6]
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.
2.Behoudens bijzondere omstandigheden. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.16.
3.Zie onder meer HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9372, NJ 2001, 307, m.nt. De Hullu, HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis en HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:296, NJ 2014/135 en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2849.
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rechtsoverwegingen 3.7, 3.17 en 3.18.
5.De overschrijding bedraagt bijna elf maanden, gerekend vanaf de datum waarop hoger beroep is ingesteld (8 juli 2011).
6.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.3.