De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, wegens het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne in Nederland. De zaak betrof het meenemen van twee zakken bonbons vanuit Suriname, waarin cocaïne was verborgen.
De bewijsmiddelen bestonden uit proces-verbaal van aanhouding en bevindingen van de Douane, een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, een laboratoriumrapport dat bevestigde dat de aangetroffen substantie cocaïne betrof, en verklaringen van de verdachte zelf. De verdachte verklaarde dat zij de bonbons op verzoek van een kennis meenam, zonder te weten dat deze drugs bevatten.
Het hof oordeelde dat de verdachte zich bewust had blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bonbons cocaïne bevatten, mede gelet op het afwijkende gewicht, de waarschuwingen op de luchthaven, en het feit dat bonbons in Nederland gemakkelijk verkrijgbaar zijn. De verdachte had nagelaten nader onderzoek te doen. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het oordeel onbegrijpelijk zou zijn en bevestigde het voorwaardelijk opzet.
De Hoge Raad benadrukte dat het niet verrichten van onderzoek in de gegeven omstandigheden kan wijzen op het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat er drugs in de bagage zaten. De bewezenverklaring werd voldoende gemotiveerd geacht en het cassatieberoep werd verworpen.