Conclusie
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
- stond het verdedigingsmiddel (meermalen steken met een mes/doden) in een redelijke verhouding tot de ernst van de voorafgaande aanrandingen en van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding (doden) die nog zou gaan volgen,
- heeft het Hof door te oordelen dat pas aan de proportionaliteitstoets is voldaan als, naast de noodzaak van de verdediging als zodanig, ook de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan een verkeerde invulling aan die toets gegeven, en
- kan het door het Hof voorgestelde alternatief - het slachtoffer met het mes bedreigen, ofwel het slachtoffer dwingen de voordeur te openen, ofwel proberen de woning op een andere wijze te verlaten - in de omstandigheden van het geval niet worden aangemerkt als een reëel alternatief.
Indien het echter die - juiste - maatstaf wel voor ogen heeft gehad, had het gelet op de door hem vastgestelde ernst van de aanranding, zijn oordeel dat de verdachte voor een te zwaar middel heeft gekozen, nader dienen te motiveren.
vierde middelklaagt dat 's Hofs vaststelling dat verdachtes gemoedstoestand niet als heftig valt aan te merken onbegrijpelijk is en/of ontoereikend en/of innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd.