Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen heeft omkleed, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering van zijn normale bezigheden is ontstaan.
VR2005/90 had het slachtoffer als gevolg van een verkeersongeval een ontsteking aan de slijmbeurs en een wond aan de knie opgelopen, terwijl zij niet had kunnen solliciteren voor chauffeurswerkzaamheden en negen maanden na het voorval nog steeds lichamelijke klachten had. Het hof achtte bewezen dat tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden was ontstaan, als bedoeld in art. 6 WVW Pro 1994. Het namens de verdachte tegen het arrest ingestelde beroep in cassatie werd met toepassing van art. 81, eerste lid, RO verworpen. [7] Daarentegen kan uit het enkele feit dat het slachtoffer pijn in haar rug heeft en door het ongeval verwondingen heeft opgelopen, niet zonder meer worden afgeleid dat zij tijdelijk ziek is geweest of verhinderd is geweest haar normale bezigheden te verrichten. [8] In HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9370,
NJ2001/162 volgde uit de bewijsmiddelen dat het slachtoffer een bloeduitstorting aan de enkel in combinatie met een (mogelijke) fractuur aan een sprongbeen en bandscheuren aan een voet had opgelopen. De Hoge Raad oordeelde dat niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat het slachtoffer als gevolg van het toegebrachte letsel tijdelijk verhinderd is geweest haar normale bezigheden te verrichten.
die geen uitzicht op genezing overlaat, als vermeld in art. 82 Sr Pro. Ook het begrip (tijdelijke) verhindering wordt in dit licht bezien. Ten aanzien van de duur van de verhindering, wordt opgemerkt dat het openbaar ministerie een termijn van zes weken lijkt aan te houden, maar dat in de rechtspraak kortere termijnen kunnen worden aangetroffen. [9] Zo bedroeg de verhindering beroepsbezigheden uit te oefenen in HR 22 mei 1922,
NJ1923, p. 1079 “een dag of veertien”.