Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende tot uitdrukking heeft gebracht tot welke strafverlaging de door het hof vastgestelde schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, aanleiding heeft gegeven.
tweede middelbevat de klacht dat nu namens de verdediging is aangevoerd dat aan het vereiste van een schriftelijke volmacht van ING Bank als benadeelde partij niet is voldaan en het hof heeft nagelaten te responderen op dit verweer, het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onvoldoende heeft gemotiveerd. In het namens de benadeelde partij ING Bank N.V. ingediende verweerschrift wordt betoogd dat het middel geen kans van slagen heeft. Het middel en het daartegen gevoerde verweer lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
“AANGIFTE:
kanzich immers laten vertegenwoordigen. Bovendien heeft degene die voor de rechtspersoon optreedt geen machtiging nodig zoals bedoeld in art. 51c Sv. [7]