Conclusie
middelkeert zich tegen de beslissing van het Hof om de getuige [getuige 1] met gesloten deuren en buiten aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman te horen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot veertig maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld, gepleegd door meerdere personen. Het hof had besloten een getuige achter gesloten deuren te horen over diens weigering om te verklaren, buiten aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. De verdediging stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof bevoegd is om zittingen met gesloten deuren te houden op grond van artikel 269 Sv Pro, maar dat het horen van getuigen buiten aanwezigheid van de raadsman niet door deze bepaling wordt gedekt. Het hof heeft de beslissing onvoldoende gemotiveerd, maar uit het proces-verbaal blijkt dat het belang van een goede rechtspleging en waarheidsvinding de sluiting rechtvaardigen.
De Hoge Raad oordeelt dat het bevel aan de raadsman om de zittingszaal te verlaten niet op artikel 297 Sv Pro kan worden gebaseerd en daarmee een schending van het beginsel van interne openbaarheid vormt. Desondanks leidt deze schending niet tot cassatie, omdat verdachte en raadsman voldoende zijn geïnformeerd en in de gelegenheid zijn gesteld de getuige te ondervragen over het tenlastegelegde. De getuige is slechts over zijn weigering buiten hun aanwezigheid gehoord, wat geen inbreuk op het ondervragingsrecht betekent.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het middel faalt en het beroep wordt verworpen. De zaak hangt samen met andere zaken tegen medeverdachten waarin soortgelijke conclusies zijn getrokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft geen vernietiging van het arrest veroorzaakt ondanks procedurele fouten.