Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
accumulation sharesuitgegeven waarop geen dividend wordt uitgekeerd, en voor de meeste van zijn subfondsen ook
distribution shares, waarop wél wordt uitgekeerd.
accumulation sharesals
distribution sharesheeft uitgegeven. Het Hof achtte de belanghebbende reeds daarom niet objectief vergelijkbaar met een fbi.
nuluitgekeerd), is mijns inziens onjuist: uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het gaat om de statutaire winstverdeling. Anders dan bij de vraag of aan de kwantitatieve uitdelingsverplichting is voldaan, gaat het hier dus niet om de vraag of
feitelijkiets gebeurd is (voldoende uitdeling), maar om de vraag of iets juridisch (statutair) goed geregeld is. Met het Hof meen ik dat noch op parapluniveau aan de gelijkmatigheidseis is voldaan, noch op subfondsenniveau.
Emerging Markets, dat een niet-ingezeten beleggingsfonds niet precies aan alle specifieke nationaalrechtelijke fbi-statusvereisten hoeft te voldoen om voldoende vergelijkbaar te zijn voor de toepassing van het vrije kapitaalverkeer. Ik zie in die zaak echter voornamelijk herhaling van de Franse zaak C-338 t/m 347/11,
Santander: het vrije kapitaalverkeer was geschonden omdat (i) de Poolse fondsinrichtingseisen (voldoen aan de Europese icbe-richtlijn)
irrelevantwas voor (het doel van) de fiscale regeling (de vrijstelling van bronheffing) waardoor (ii) wezenlijk de vrijstelling werd geweigerd uitsluitend op grond van de vestigingsplaats van het Amerikaanse fonds en niet op de grond dat de participanten in het fonds niet belast konden worden zoals participanten in een ingezeten fonds omdat (iii) de fondsvrijstelling niet afhing van de heffing bij de participanten. Het Nederlandse fbi-regime daarentegen zit fiscaal juist wél strikt coherent in elkaar en vervangt volledig, conform het (EU-rechtelijk onverdachte) doel van neutraliteit tussen collectief en individueel beleggen, de dividendbelasting ten laste van het fonds door dividendbelasting ten laste van diens individuele beleggers: de faciliteit hangt niet van vestigingsplaats, maar juist van de heffing ten laste van de participanten af. Uit de zaken C-194/06,
Orange European Smallcap Funden
Santandervolgt dan mijns inziens dat er Europeesrechtelijk geen kwestie is.
Orange European Smallcap Fundde vestigingseis en de rechtsvormeis uit art. 28 Wet Pro Vpb schrapte, voor de keus om ofwel ook vaste inrichtingen van niet-ingezeten beleggingsfondsen inhoudingsplichtig te maken, ofwel teruggaaf om te zetten in afdrachtvermindering. Hij heeft voor het laatste gekozen. Dat betekent niet dat het fbi-regime niet beschikbaar is voor niet-ingezeten fondsen. Dat is het wél, maar het blijft beperkt tot het nultarief in de vennootschapsbelasting voor de v.i. in Nederland.
Class IV ACT, volgt dat niet-onderworpen dividenduitkeringen niet vergelijkbaar zijn met wél-onderworpen uitkeringen en dat een belastingvoordeel alleen dan met een
outbounduitdeling meegegeven hoeft te worden als de niet-ingezeten gerechtigde net zo als een ingezeten gerechtigde (binnenslands) onderworpen is voor die uitdeling.
prima facieaannemelijk lijkt dat zij vooral de grensoverschrijdende situatie treft. Dat is wellicht terecht als het misbruik (heffingsvrije oppotting en vervreemding) zich alleen of vooral grensoverschrijdend voordoet (nu in het binnenland box 3 vigeert), maar het Hof heeft niet onderzocht of de buitenlandsituatie (indirect) benadeeld wordt, noch of die eventuele benadeling proportioneel is in het licht van de beoogde misbruikbestrijding. Belanghebbendes cassatieberoep treft mijns inziens in zoverre doel.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
société d’investissement à capital variable) (de belanghebbende) is een in Luxemburg gevestigd beleggingsfonds met rechtspersoonlijkheid. Hij belegt in aandelen van onder meer in Nederland gevestigde vennootschappen.
distribution sharesals
accumulation sharesheeft uitgegeven:
3.Het geding in cassatie
Emerging Markets, blijkt volgens de belanghebbende dat hij niet precies hoeft te voldoen aan alle specifieke voorwaarden voor ingezeten fbi’s. Voldoende is – naast voldoende winstuitkering onder het nieuwe fbi regime – dat doel en feitelijke werkzaamheid overeenkomen met die van ingezeten fbi’s, wat zijns inziens het geval is als het niet-ingezeten fonds, zoals de belanghebbende, een icbe [8] is. Uit de zaak C-342/10,
Commissie v. Finland, blijkt dat het HvJ EU het doel van de nationale regeling doorslaggevend acht voor de vergelijkbaarheid van ingezetenen en niet-ingezetenen. Uit het doel van het fbi-regime zoals omschreven in de zaak C-194/06,
Orange European Smallcap Fund, volgt dat niet aan alle fbi-vereisten voldaan hoeft te worden om dat doel te bereiken, zodat het onnodig daaraan vasthouden onevenredig is. Zowel het oude als het nieuwe fbi-regime kan/kon
de factoalleen worden benut door ingezeten fbi’s. Voor deze schending van de vrijheid van kapitaalverkeer ziet de belanghebbende geen rechtvaardiging; van noodzaak tot bewaring van coherentie van het belastingstelsel blijkt niet, nu een dividenduitkering geen invloed heeft op de heffing in box 3, zodat die heffing niet als compenserend kan worden aangemerkt.
Irimie, om vergoeding van gederfde rente over de terug te ontvangen dividendbelasting over de periode ingaande acht maanden na de litigieuze tijdvakken.
Class IV ACT, C-48/13,
Nordea Bank, C-170/05,
Denkavit Internationaalen
Denkavit Franceen C-47/12,
Kronos International Inc. De Staatssecretaris verzoekt u om dit verweer zo nodig als incidenteel beroep aan te merken.
uitdeling beschikbarewinst in de relevante jaren nihil zou bedragen, doet volgens de Staatssecretaris niet ter zake voor de vraag of aan de uitdelingsplicht is voldaan:
Emerging Marketsvoor het fbi-regime is volgens de Staatssecretaris beperkt omdat de faciliteit in deze zaak enkel was gekoppeld aan de hoedanigheid van Poolse icbe, terwijl een Nederlands lichaam aan veel strengere eisen moet voldoen om als een fbi te worden aangemerkt. Hoewel sommige eisen wellicht niet aan buitenlandse fondsen gesteld kunnen worden, moet wel steeds beoordeeld worden of het niet-ingezeten fonds naar aard, doel en opzet wezenlijk vergelijkbaar is. Uit de zaak C-318/07,
Persche,volgt dat soortgelijke niet-ingezeten lichamen gelijk aan ingezetenen behandeld moeten worden en dat voor vrijstelling van buitenlandse lichamen dus dezelfde eisen kunnen worden gesteld als aan binnenlandse.
Santanderen
Emerging Marketsvolgt dat bij een fonds waarbij de vrijstelling gekoppeld is aan de fiscale behandeling van de participanten, voor de vraag of zich een belemmering voordoet moet worden onderzocht of de participanten nadeliger af zijn in vergelijking met rechtstreeks beleggen in Nederlandse aandelen, wat niet het geval is omdat ook in dat geval 15% dividendbelasting zou zijn ingehouden. De Staatssecretaris verzoekt u ook dit verweer voor zover nodig aan te merken als incidenteel middel.
accumulation sharesde overhand hebben en feitelijk vast staat dat daarop geen dividend wordt uitgekeerd. Of de winst nihil is, is slechts relevant voor de kwantitatieve winstverdelingseis, maar niet voor de kwalitatieve winstverdelingseis, aldus de Staatssecretaris.
accumulation sharesheeft uitstaan, zou zo’n verzoek zonder meer worden afgewezen.
Class IV ACTniet op. Uit dit arrest volgt volgens de belanghebbende juist dat ook aan een niet-ingezetene een credit moet worden meegegeven als een bronstaat haar fiscale bevoegdheid ook uitoefent met betrekking tot uit deze staat afkomstige inkomsten van niet-ingezeten ontvangende vennootschappen. Omdat Nederland heft over uit Nederland afkomstige dividenden, moet ook aan de belanghebbende teruggaaf van dividendbelasting worden verleend.
distribution shareswordt uitgekeerd in de vorm van aandelen, art. 2(5) BBI nog van belang zou zijn. Ook in zoverre een houder van
distribution sharesgeen contant dividend ontvangt, is nog steeds sprake van uitkering van winst c.q. ter beschikkingstelling van dividend. Volgens de belanghebbende hebben de houders van deze aandelen namelijk de beschikkingsmacht over de bestemming van het op die aandelen uitgekeerde dividend.
ACT Group Litigation, C-374/04. In die zaak bestond een rechtstreeks verband tussen de verrekening van de
ACTdoor het VK en de Britse heffing over de dooruitdeling. In belanghebbendes geval ontbreekt een Nederlandse heffing bij dooruitdeling, aldus de Staatssecretaris.
accumulation sharesaan de kwalitatieve winstverdelingseis voldoet als de voor uitdeling beschikbare winst nihil bedraagt, gaat er volgens de Staatssecretaris aan voorbij dat zodra er wél uitkeerbare winst is, niet voldaan zal worden aan de doorstootverplichting. Is de winst nihil, dan wordt niet doorgestoten en heeft ook een vergelijkbare binnenlandse fbi geen recht op afdrachtvermindering. Wordt wel dividend doorgestoten, waardoor bij een ingezeten fbi recht op afdrachtvermindering ontstaat, dan doet zich bij de belanghebbende per definitie een probleem voor met de kwalitatieve winstverdelingseis omdat de belanghebbende
distribution sharesen
accumulation sharesheeft uitstaan.
Class IV ACT‘zeer sterk vergelijkbaar’ is met zijn geval:
Teruggaaf ex art. 10(2) Wet Divb (oud) en afdrachtvermindering ex art. 11a Wet Divb
5.Objectieve vergelijkbaarheid met een ingezeten fbi?
nietwezenlijk zou achten voor ‘de grondslag van de faciliteit’, nu ook onder dat oude fbi-regime de doorstootverplichting manifest de meest essentiële voorwaarde voor de fbi-status was. Met Egelie ook meen ik dat u u niet expliciet heeft uitgelaten over de vraag of het ontbreken van inhoudingsplicht voor de Nederlandse dividendbelasting prohibitief is. Zie daarover onderdeel 6 hieronder.
accumulation shares) konden dan bij verkoop onbelast de waardestijging realiseren. [31]
gerechtigdheid) en niet slechts om de feitelijke verdeling: [32]
accumulation shareszijn uitgegeven en in de meeste subfondsen ook
distribution shares, en dat op de
accumulation sharesin beginsel geen dividend wordt uitgekeerd. Dat zulks ook statutair is vastgelegd, volgt uit ’s Hofs overweging dat “belanghebbende niet heeft gesteld, en dat ook overigens niet is gebleken, dat in afwijking van de statutaire bepalingen betreffende deze aandelen [de
accumulation shares, PJW], in werkelijkheid wel dividend is uitgekeerd.” Hoe dan ook staat in cassatie vast dat feitelijk niet aan de gelijkmatigheidseis wordt voldaan. De subfondsen waarin
accumulation sharesen
distribution shareszijn uitgegeven voldoen dus niet aan alle eisen van art. 28 Wet Pro Vpb. Ook op subfondsniveau voldoet de belanghebbende dus niet aan de voorwaarden voor de fbi-status.
accumulation sharesweliswaar de voldoening aan de uitdelingsverplichting in gevaar brengen, maar maken zij het niet onmogelijk om aan alle fbi-vereisten te voldoen. De belanghebbende heeft hier denkelijk het oog slechts op de doorstootverplichting, en ziet eraan voorbij dat ook aan de eis van statutaire gelijke winstverdeling voldaan moet worden, hetgeen onmogelijk is bij een subfonds dat in overeenstemming met de statuten tegelijk winst inhoudt voor de ene soort aandelen en uitdeelt op de andere soort aandelen. Mijns inziens is ‘s Hofs gewraakte overweging dus rechtskundig correct.
6.(Geen) onderworpenheid aan inhoudingsplicht
Emerging Markets [41] dat het niet precies voldoen aan alle specifieke fbi-statusvoorwaarden, niet meebrengt dat hij niet vergelijkbaar is met een fbi.
Emerging Marketsom terugbetaling van de bronheffing werd door de Poolse fiscus afgewezen. Het HvJ EU constateerde dat niet-ingezeten beleggingsfondsen louter op grond van hun plaats van vestiging niet in aanmerking kwamen voor de vrijstelling van bronheffing:
Santander [42] oordeelde het HvJ EU dat de beoordeling of de situaties van ingezeten en niet-ingezeten fondsen vergelijkbaar zijn, uitsluitend op het niveau van het beleggingsinstrument moet worden uitgevoerd, nu de vrijstelling voor het fonds niet afhing van heffing ten laste van diens deelgerechtigden:
Emerging Marketsniet was onderworpen aan de Europese icbe-richtlijn [43] voldeed hij niet aan de vereisten in de Poolse wet op de vennootschapsbelasting om voor vrijstelling in aanmerking te komen. Het HvJ EU oordeelde daarover als volgt:
Emerging Marketsdat u in HR BNB 2014/20 niet had mogen aanvaarden dat niet-ingezeten fondsen aan alle voorwaarden moeten voldoen waaraan een ingezeten fbi moet voldoen (ik laat voetnoten weg):
Emerging Marketsblijkt mijns inziens genoegzaam (zie bovenstaande citaten) dat het HvJ EU ingreep omdat (i) de door Polen gestelde fondsinrichtingseis (voldoen aan de vereisten van de Europese icbe-richtlijn)
irrelevantwas voor (het doel van) de fiscale regeling (de vrijstelling van bronheffing) en (ii) (daardoor) wezenlijk de vrijstelling werd geweigerd uitsluitend op grond van de vestigingsplaats van het Amerikaanse fonds, niet op de grond dat de participanten in een derdelandenfonds niet belast konden worden zoals participanten in ingezeten fonds, nu (iii) de vrijstelling niet afhing van de heffing bij de participanten.
Santander, [45] waarin Frankrijk een onderscheid tussen ingezeten icbe’s (geen (dividendbelasting) en niet-ingezeten icbe’s (wél dividendbelasting) niet liet afhangen van de vraag of de achterliggende beleggers al dan niet konden worden belast, maar slechts van het (niet-)ingezetenschap van de icbe:
Orange European Smallcap Fund. [49] De in Nederland buitenlands belastingplichtige niet-ingezetene moet nog wel naar aard en inrichting vergelijkbaar zijn met een ingezeten fbi. De MvT [50] merkt op dat vanwege de gestelde voorwaarden het naar verwachting niet snel zal voorkomen dat een in Nederland buitenlands belastingplichtige vennootschap een beroep zal doen op toepassing van art. 28 Wet Pro Vpb:
Class IV ACT. [53] Naar ik meen is het beroep van de Staatssecretaris terecht. De belanghebbende ziet er mijns inziens aan voorbij dat het
creditdat in die zaak aan de orde was, alleen met
outbounddividend meegegeven hoefde te worden voor zover het uitkerende land de niet-ingezeten aandeelhouder belastte voor dat dividend. In
Class IV ACToordeelde het HvJ EU onder meer dat niet-ingezeten aandeelhouders niet gelijk zijn aan ingezeten aandeelhouders als zij niet – zoals ingezetenen – onderworpen zijn voor de ontvangen dividenden. Andersom: voor zover de bronstaat niet-ingezeten aandeelhouders wél – net als ingezetenen – onderwerpt voor de
outbounddividenden (in de vorm van een bronheffing), worden zij in zoverre vergelijkbaar met ingezetenen (die aan die voorheffing of een eindheffing of beide zijn onderworpen) en moet een
creditof ander belastingvoordeel dat met het dividend wordt meegegeven aan ingezetenen ook meegegeven worden aan die niet-ingezetenen. Als wij in het voorgaande ‘onderworpenheid aan belasting’ vervangen door ‘onderworpenheid aan inhoudingsplicht’, leert
Class IV ACTdus dat het gelijk aan de kant van de Staatssecretaris ligt. Dat de inhoudingsplicht ziet op andermans belastingschuld en de belastingplicht op de eigen belastingschuld, doet in dit verband niet ter zake: het gaat er in het fbi-regime immers principieel om neutraliteit te bereiken tussen rechtstreeks en collectief beleggen door quasi-transparantie. [54] Juist bij rechtstreekse belegging zou de belegger, of hij nu binnenlander (box 3) of buitenlander zou zijn, niet ontkomen aan inhouding van Nederlandse dividendbelasting. Aangezien deze belegger – anders dan bij indirecte belegging via een aan inhoudingsplicht onderworpen ingezeten fbi – bij indirecte belegging via een niet-ingezeten fonds wél ontsnapt aan inhouding van Nederlandse dividendbelasting, hoeft aan een niet aan inhoudingsplicht onderworpen fonds zoals de belanghebbende (en daarmee indirect aan diens beleggers) het voordeel van teruggaaf of afdrachtvermindering niet meegegeven te worden bij dooruitdeling.
eindheffing te bewerkstelligen, doet niet ter zake; het gaat om fiscale neutraliteit tussen rechtstreekse belegging en collectieve belegging. Bij rechtstreekse belegging zou (meteen) dividendbelasting ingehouden zijn, dus het is doelrationeel bezien volstrekt terecht dat ook bij indirecte belegging dividendbelasting wordt ingehouden. Daar komt bij dat de vervanging van de instroomdividendbelasting door de uitstroomdividendbelasting uiteraard onmisbaar is voor alle participanten voor wie de dividendbelasting ook bij rechtstreekse belegging eindheffing zou zijn geweest. Ik merk in dit verband ten slotte op dat uit de zaak C-282/07,
Truck Center [55] blijkt (en in de spiegelbeeldsituatie –
inbounddividend – uit de zaak C-513/04,
Kerckhaert-Morres [56] ) dat het de lidstaten vrijstaat om ingezetenen aan een eindheffing te onderwerpen (in casu box 3, met verrekening van de voorheffing) en niet-inwoners aan een bronheffing tevens eindheffing zoals in casu de dividendbelasting als eindheffing. Europeesrechtelijk ontstaat daar slechts een hier niet relevant probleem, nl. de vraag of de bruto bron/eindheffing voor ingezetenen niet hoger is dan voor ingezetenen het deel van de box 3 heffing dat aan de onderliggende aandelen moet worden toegerekend. Die in casu niet relevante vraag is aanhangig bij het HvJ EU in de door u verwezen zaak C-10/14,
Miljoen.
7.Beoordeling van de cassatieberoepen
Principaal
Emerging Marketsen het Franse in
Santander, is het fbi-regime volledig en coherent gericht op fiscale neutraliteit tussen individueel en collectief beleggen door vervanging van de dividendbelasting ten laste van de fbi door dividendbelastingheffing ten laste van dier individuele beleggers. De teruggaaf c.q. afdrachtvermindering is geenszins uitsluitend afhankelijk van de vestigingsplaats van het fonds, maar van de vraag of bij dooruitdeling ten laste van zijn participanten dividendbelasting kan worden ingehouden ter vervanging van de terug te geven c.q. te verrekenen instroomdividendbelasting. Uit
Orange European Smallcap Fundvolgt mijns inziens dat zulks geen Europeesrechtelijke vragen oproept. Zonder inhoudingsplicht kan het (EU-rechtelijk gerechtvaardigde) doel van het fbi-regime niet bereikt worden, maar wordt de coherentie ervan juist verbroken. Dat gelijke onderworpenheid van de buitenlandsituatie aan inhoudingsplicht cruciaal is voor het meegeven van voordelen bij dooruitdeling, volgt ook uit
Class IV ACT. Dat het fbi-regime openstaat voor buitenlandse beleggingsinstellingen met een vaste inrichting in Nederland en in zoverre gebruik kan worden gemaakt van het nultarief in de vennootschapsbelasting, maakt dat niet anders. Nu de belanghebbende geen Nederlandse vaste inrichting heeft, kan hij zich overigens niet aan een dergelijke beleggingsinstelling spiegelen.
prima facieaannemelijk lijkt dat zij vooral gericht is op de grensoverschrijdende situatie zoals die van de belanghebbende. Dat is wellicht terecht, namelijk als het reëel te verwachten misbruik (heffingsvrije oppotting en vervreemding) zich vooral grensoverschrijdend voordoet (nu binnenslands box 3 vigeert), maar het Hof heeft niet onderzocht in hoeverre de buitenlandsituatie benadeeld wordt, noch of die eventuele indirecte benadeling van de buitenlandsituatie door de gelijkmatigheidseis in de juiste verhouding staat tot het beoogde doel van misbruikbestrijding.
Class IV ACTde niet-onderworpenheid van niet-ingezeten aandeelhouders was voor hun niet-vergelijkbaarheid met wél onderworpen ingezeten aandeelhouders aan wie een
creditwerd meegegeven omdat zij onderworpen waren. Als niet dooruitgedeeld wordt, kan niet ingehouden worden. Als niet ingehouden kan worden, kan de beoogde fiscale neutraliteit (vervanging van de bronheffing ten laste van het fonds door de bronheffing ten laste van zijn participanten die ook geheven zou zijn als zij rechtstreeks hadden belegd) niet bereikt worden, met name niet bij participanten voor wie de dividendbelasting eindheffing is en ook zou zijn geweest als zij rechtstreeks hadden belegd.