Conclusie
eerste middelkeert zich tegen het gebruik van de verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs. Nu deze verklaringen enkel betrekking hebben op de bewezenverklaarde feiten 1a, 2 en 4a [2] , versta ik dit middel aldus dat het kennelijk niet opkomt tegen de bewijsvoering met betrekking tot de feiten 5, 6 en 7. Mede gezien de hierna onder 8 aan te halen pleitnota van de raadsman, zal ik het middel in deze door mij afgebakende zin straks bespreken. Het
tweede middelklaagt over ’s Hofs bewijsconstructie ten aanzien van feit 7.
- een valse werkgeversverklaring van [betrokkene 2], als ware voornoemde [betrokkene 2] in loondienst bij [A] voor een jaarsalaris inclusief vakantiegeld van 49.611,—, welke werkgeversverklaring was voorzien van een firmastempel "[A]" en op de daartoe bestemde plaats voorzien van een handtekening van [getuige 1] en
als verklaring van aangever [betrokkene 1], afgelegd op 12 september 2006:
als verklaring van [betrokkene 1], afgelegd op 27 juni 2007:
U toont mij een verzoek om uitbetaling van € 25.000 uit het depot van de Westland Utrecht, d.d. 13-12-2004 ondertekend door [betrokkene 1] en uit te betalen op bankrekeningnummer [005]. Ik ken dit verzoek helemaal niet. Het is niet mijn handtekening. Ik heb nooit om deze uitbetaling verzocht. Het is ook mijn bankrekeningnummer niet. Die is heel anders. Het is ook mijn telefoonnummer niet.
als verklaring van [betrokkene 2]. afgelegd op 27 juni 2007:
als verklaring van [betrokkene 2]. afgelegd op 27 juni 2007:
als verklaring van [getuige 1]. afgelegd op 13 februari 2007:
het hof begrijpt telkens: verdachte) is als klant bij mij terecht gekomen. [verdachte] deed altijd in hypotheken. Ik heb voor [verdachte] wat werkzaamheden gedaan op de [a-straat] 44. Het waren geen grote opdrachten. Hiervoor heb ik facturen opgemaakt op [A] papier.
U toont mij een kopie van een werkgeversverklaring van [A] van werknemer [betrokkene 2]. Deze werkgeversverklaring herken ik. Ik heb deze werkgeversverklaring ingevuld. Ik was op het moment van invullen van deze werkgeversverklaring op de [c-straat] 11-31 (
het hof begrijpt: het adres van verdachte). [verdachte] vroeg mij toen: "Ik heb een werkgeversverklaring nodig, kan jij mij helpen met invullen dat jij iemand in dienst hebt als systeemprogrammeur." Ik heb dit uiteindelijk gedaan. [verdachte] heeft mij alles voorgezegd wat ik moest invullen. Het was nooit de bedoeling dat ik deze persoon [betrokkene 2] in dienst zou nemen. Het is mijn handtekening of paraaf onder deze werkgeversverklaring. Ik heb deze verklaring valselijk opgemaakt.
als verklaring van aangever [betrokkene 3]:
als verklaring van [betrokkene 10]. afgelegd op 4 mei 2007:
als verklaring van verdachte, afgelegd op 24 mei 2007:
Naam werkgever: [A]
Naam werknemer: [betrokkene 2]
Bruto jaarsalaris:€45.936
als verklaring van aangever [betrokkene 6], afgelegd op 21 december 2006:
als verklaring van aangeefster [betrokkene 8] namens Bank of Scotland, afgelegd op 21 november 2006:
als verklaring van [getuige 1]. afgelegd op 5 december 2006:
als verklaring van [getuige 1]. afgelegd op 13 februari 2007:
als verklaring van verdachte, afgelegd op 24 mei 2007:
[003]
als verklaring van verdachte, afgelegd op 26 juni 2007:
als verklaring van verdachte, afgelegd op 24 mei 2007:
als verklaring van [betrokkene 9]. afgelegd op 7 mei 2007:
als verklaring van [betrokkene 4], afgelegd op 12 juni 2007:
het hof begrijpt telkens: verdachte) heeft de zaken met betrekking tot de koop van de woningen aan [e-straat] 74 en 72 geregeld, hij is bij ons gekomen met papieren en die hebben wij getekend. Wij kregen het koopcontract thuis. Wij hebben toen de koopovereenkomsten omstreeks september 2006 getekend. Ik heb een werkgeversverklaring en een salarisstrook van mijzelf bij [verdachte] ingeleverd voor de lening. Van mijn vrouw zijn geen bescheiden ingeleverd. In een gesprek met [verdachte] heb ik gevraagd: "Op mijn salaris kunnen wij die twee woningen niet kopen." Ik kreeg toen het antwoord van [verdachte]: "Dat komt goed, ik regel dat." Het enige wat ik weet is dat voor een werkgeversverklaring van mijn vrouw gezorgd zou worden. Ik weet dat er met valse bescheiden een hypotheek is aangevraagd. De naam [G] ken ik, dat is de naam die genoemd werd als werkgever van mijn vrouw [betrokkene 5]. Verder ken ik het bedrijf niet.
als verklaring van [betrokkene 5], afgelegd op 12 juni 2007:
het hof begrijpt telkens: verdachte) hebben besproken dat er geld via een bouwdepot vrijgemaakt kon worden om de hypotheeklasten te betalen en dan zouden [verdachte] en mijn man huizen op de veiling kopen, deze dan opknappen en weer met winst doorverkopen. Van deze winst konden wij dan de hypotheeklasten betalen. Ik ken het bedrijf [G] te Amsterdam niet. Daar heb ik nooit gewerkt. U toont mij een werkgeversverklaring van [G] B.V. te Amsterdam met daarop het brutoloon van [betrokkene 5] ad 72.972 euro, vakantietoeslag 5.837,76 en vaste 13e maand van 6.881 euro. ten behoeve van het aanvragen van een hypotheek. Ik heb dat niet eerder gezien.
als verklaring van aangever [betrokkene 11] en/of [betrokkene 12]:
als verklaring van [betrokkene 13], afgelegd op 19 juni 2007:
het hof begrijpt telkens: verdachte). [verdachte] heeft opgesteld wat het totaal aan onderdelen voor de verbouwing was als een soort calculatie en ik heb daarna zelf de drie facturen onderverdeeld. Het ging [verdachte] er alleen maar om het gehele bedrag uit het bouwdepot op mijn rekening te zetten.
Serre met uitbouw 67.500,—
Naam werkgever: [G] b.v.
Naam werknemer: [betrokkene 5]
Bruto jaarsalaris:€ 72.972,-
als verklaring van verdachte, afgelegd op 24 mei 2007:
eerste middelbehelst, mede gezien de toelichting daarop, de klacht dat het Hof het verweer van de verdediging – inhoudend dat de verklaringen van de inmiddels overleden getuige [getuige 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu zij in strijd met het bepaalde in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM niet in staat is (geweest) deze getuige (nader) te horen - heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. [3]
c) de compensatie voor het nadeel waarin de verdediging door het niet kunnen ondervragen van de getuigen is geplaatst,
[…]
De verweren van de raadsman worden verworpen.”
solely or to decisive extentop de belastende verklaring van het slachtoffer was gebaseerd. Voor zover hier van belang [4] kan uit het Al-Khawaja & Tahery-arrest worden afgeleid dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudend een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende getuigenverklaring niet onverenigbaar is met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Deze verfijning van zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot het recht op een
fair trial, waarvan het beginsel van
a fair and public hearingdeel uitmaakt [5] ,komt voort uit de vooropstelling dat de
sole or decisive ruleonder de werking van de
overall fairness of the proceedingsop een flexibele manier behoort te worden uitgelegd. Wanneer in dit kader de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad in enig stadium van het strafgeding de getuige te ondervragen, is sprake van het ontbreken van
“an adequate and proper opportunity to question a witness against him either when he or she was testifying or at a later stage of the proceedings”. In dat geval dienen blijkens het Al-Khawaja & Tahery-arrest ten minste twee punten te worden onderzocht:
counterbalancing factors– ten behoeve van de verdediging aangereikt, waaronder begrepen de toetsing van de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaring?
good reasonis de ter terechtzitting verschenen getuige die op grond van een aan hem toekomend verschoningsrecht weigert antwoord te geven op aan hem gestelde vragen. Op deze variant ziet de Vidgen-rechtspraak van het EHRM en, in navolging daarvan, de post-Vidgen rechtspraak van de Hoge Raad (zie hierna). Een ander voorbeeld levert de onderhavige zaak op: de verzochte getuige is overleden voordat hij door de verdediging in enig stadium van de strafvorderlijke procedure is kunnen worden gehoord. Ingevolge het door het EHRM aangelegde toetsingskader, dienen zich vervolgens de vragen aan of (ii) de getuigenverklaring, zoals neergelegd in een ambtsedig proces-verbaal,
sole or decisivebewijsmateriaal is en -
zo ja- (iii) of de verdediging in dat verband voldoende compensatie is geboden die aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordt. Ik benadruk dat de toets aan factor (iii) achterwege kan blijven wanneer er wél voldoende steunbewijs voorhanden is met betrekking tot die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. [8]
Feiten 1a en 2
- de werkzaamheden vermeld op die factuur niet zijn uitgevoerd op de [a-straat] 44 te Lelystad (bewijsmiddel 7);
- verzoeker naar eigen zeggen de betreffende factuur van “[A]” naar de bank heeft opgestuurd, samen met het door hem ingevulde formulier met verzoek tot uitbetaling uit het bouwdepot (bewijsmiddel 8);
- verzoeker de hypotheekaanvraag ten name van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gedaan bij Westland Utrecht Hypotheekbank (bewijsmiddelen 1, 4 en8);
- zich bij die hypotheekaanvraag een werkgeversverklaring, ondertekend door [getuige 1], en een salarisspecificatie bevonden van “[A]” ten aanzien van [betrokkene 2] (bewijsmiddelen 6, 11 en 12);
- [betrokkene 2] daar in werkelijkheid niet werkzaam is geweest, noch van daaruit loon heeft ontvangen (bewijsmiddelen 2, 3 en 4);
- op de loonstrook het rekeningnummer van [betrokkene 10] is vermeld (bewijsmiddel 7);
Feit 4a
- het bedrag van 47.992,00,- euro gestort werd op een rekening ten name van [getuige 1] en dat een bedrag van 44.800,00,- euro vervolgens van diens rekening gestort is op een rekening ten name van [betrokkene 9] (bewijsmiddel 21) welke rekening door verzoeker werd gebruikt (bewijsmiddelen 18 en 24).
counterbalancing factorsenkel aan de orde komt indien voldoende steunbewijs in de hier bedoelde zin ontbreekt.
tweede middelkeert zich enkel tegen de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde wat betreft de gelden afkomstig uit bouw-depots. Te dien aanzien voert de steller van het middel aan dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting “aangezien wederrechtelijk verkregen voordelen genoten door verzoeker afkomstig uit de overige bewezenverklaarde feiten c.q. de bedragen die verzoeker door middel van andere strafbare feiten uit een bouwdepot heeft onttrokken rechtens niet onder bereik en beheer van de curator behoren te komen, maar via een ontnemingsprocedure als bedoeld in art. 36e Sr rechtstreeks ten bate van de benadeelden door het openbaar ministerie gevorderd kunnen worden”.