Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2013 niet opnieuw heeft aangevangen, nu de samenstelling van het Hof gewijzigd was en niet blijkt dat de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman met hervatting hebben ingestemd.
tweede middelricht het zich tevergeefs tegen de feitelijke verwerping van een gedaan beroep op noodweer. In de eerste plaats miskent het dat de waardering van feiten en omstandigheden, ook in het kader van de verwerping van een beroep op noodweer, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. In de tweede plaats heeft het Hof mijns inziens in zijn overwegingen niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat de feitelijke gang van zaken die aan het verweer ten grondslag is gelegd niet aannemelijk is geworden en dat derhalve ten aanzien van de verdachte geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen. Gelet op hetgeen door aangever [betrokkene 1] is verklaard, zou wel sprake kunnen zijn geweest van een dreigende noodweersituatie, maar naar het oordeel van het Hof kan ook die omstandigheid niet leiden tot een geslaagd beroep op noodweer, reeds omdat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij, in plaats van [betrokkene 1] te steken met een mes, ook een stukje terug had kunnen lopen. Dat dit onder de gegeven omstandigheden van het geval van de verdachte mocht worden gevergd ligt in ’s Hofs oordeel besloten. Dit oordeel acht ik geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt en kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.