ECLI:NL:PHR:2015:431

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2015
Publicatiedatum
14 april 2015
Zaaknummer
14/00387
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep na vrijspraak en veroordeling poging tot doodslag

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch sprak verdachte vrij van poging tot moord en veroordeelde hem voor poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van een jaar met TBS-verpleging. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de middelen evident falen.

De eerste klacht betrof het niet opnieuw aanvaarden van het onderzoek na wijziging van de samenstelling van het hof. De Hoge Raad stelde dat op de zitting van 17 april 2013 geen inhoudelijke behandeling plaatsvond, maar slechts een verzoek tot aanhouding werd ingewilligd, zodat het hof niet gehouden was het onderzoek te hervatten. Het belang van de verdachte bij vernietiging werd onvoldoende onderbouwd.

Het tweede middel richtte zich tegen de verwerping van het noodweerverweer. De Hoge Raad bevestigde dat de waardering van feiten en omstandigheden aan het hof toekomt en dat het hof begrijpelijk oordeelde dat geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bestond. Ook een dreigende noodweersituatie werd niet als voldoende geacht, mede omdat verdachte zelf kon terugwijken. Beide middelen faalden en leidden tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 14/00387
Mr. Harteveld
Zitting 17 maart 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 augustus 2013 de verdachte vrijgesproken van de hem tenlastegelegde poging tot moord en hem ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof beslist ten aanzien van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.R. Kellermann, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.1. Het
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2013 niet opnieuw heeft aangevangen, nu de samenstelling van het Hof gewijzigd was en niet blijkt dat de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman met hervatting hebben ingestemd.
3.2. De zaak heeft in hoger beroep gediend op de terechtzittingen van 30 januari 2013, 17 april 2013, 10 juli 2013 en 16 augustus 2013 (inhoudelijke behandeling). De terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 betrof een zogenoemde regiezitting, waarbij het Hof was samengesteld uit de mrs. Van Duijn, Baaijens-van Geloven en Hödl. Het Hof had ter terechtzitting van 17 april 2013 een gewijzigde samenstelling, bestaande uit de mrs. Dekking, Van der Kaaden en Hödl. Het proces-verbaal van deze zitting houdt niet in dat het onderzoek op die zitting opnieuw is aangevangen, maar ook niet dat het Hof het onderzoek heeft hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 30 januari 2013 bevond. Evenmin houdt het proces-verbaal van de zitting in dat de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman met hervatting in de vorige stand instemmen. De zaak stond voor inhoudelijke behandeling gepland, maar op de terechtzitting heeft de nieuwe raadsman van de verdachte meteen verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, omdat hij onvoldoende tijd heeft gehad om de zaak van de verdachte degelijk voor te bereiden. Het Hof heeft het verzoek ingewilligd en het onderzoek geschorst. Nu het Hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 april 2013 geen aanvang kon maken met de inhoudelijke behandeling van de zaak en voorts op die terechtzitting enige vorm van onderzoek niet heeft plaatsgevonden, was het Hof, anders dan het middel wil, niet gehouden het onderzoek wegens een gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw aan te vangen. [1] Bovendien teken ik aan dat het in de schriftuur aangevoerde ‘belang’ niet mee brengt dat de verdachte een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak en hernieuwde behandeling van de zaak. [2] Het middel is reeds daarom evident kansloos voorgesteld. [3]
4. Het
tweede middelricht het zich tevergeefs tegen de feitelijke verwerping van een gedaan beroep op noodweer. In de eerste plaats miskent het dat de waardering van feiten en omstandigheden, ook in het kader van de verwerping van een beroep op noodweer, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. In de tweede plaats heeft het Hof mijns inziens in zijn overwegingen niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat de feitelijke gang van zaken die aan het verweer ten grondslag is gelegd niet aannemelijk is geworden en dat derhalve ten aanzien van de verdachte geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen. Gelet op hetgeen door aangever [betrokkene 1] is verklaard, zou wel sprake kunnen zijn geweest van een dreigende noodweersituatie, maar naar het oordeel van het Hof kan ook die omstandigheid niet leiden tot een geslaagd beroep op noodweer, reeds omdat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij, in plaats van [betrokkene 1] te steken met een mes, ook een stukje terug had kunnen lopen. Dat dit onder de gegeven omstandigheden van het geval van de verdachte mocht worden gevergd ligt in ’s Hofs oordeel besloten. Dit oordeel acht ik geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt en kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Beide middelen falen evident en rechtvaardigen geen behandeling in cassatie.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. o.m. HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1970, de conclusie van voormalig AG Wortel (ECLI:NL:PHR:2002:AE1486) vóór HR 11 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1486 (HR: art. 81 RO Pro) en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:2222) vóór HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123.
2.Vgl. o.a. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:194.
3.Het bestreden arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Zoals gezegd heeft op de terechtzitting van 17 april 2013 geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, zodat niet naar aanleiding van het onderzoek op die zitting beraadslaagd en beslist kan worden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof met vorenstaande zinsnede in het arrest niet gedoeld op de terechtzitting van 17 april 2013.