Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
uit een oogpunt van financieel verantwoord netbeheerte bezwarend worden gevonden, een situatie aanwezig te achten, waarin een aansluiting op het gewenste spanningsniveau
om technische redenenredelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd.” [cursiveringen toegevoegd, A-G]
boostop te vangen. Aanpassingen van het net en de infrastructuur die verband houden met het maken van een aansluiting komen, blijkens art. 27 lid Pro 2 E-wet, in de regel voor rekening van de netbeheerder. De netbeheerder heeft daarom financieel belang bij het maken van een aansluiting die het best aansluit bij de reeds bestaande infrastructuur, zodat hij zo min mogelijk kosten behoeft te maken. Aansluitingen boven 10 MVA mogen per geval afzonderlijk in rekening worden gebracht. In dat verband kan de vraag opkomen naar het kostenveroorzakingsbeginsel, dat inhoudt dat kosten in beginsel ten laste komen van de partij die deze veroorzaakt [12] . Door de productie van elektrische energie onder te brengen in kleine productie-eenheden met een vermogen van minder dan 10 MVA, zou de exploitant van een windpark telkens recht hebben op een aansluiting tegen het standaardtarief, ongeacht de voorzieningen of aanpassingen aan het net die daarvoor nodig zijn en ongeacht de extra kosten die daardoor worden veroorzaakt voor de netbeheerder en indirect (i.v.m. doorberekening van die kosten in de tariefstelling) voor de andere gebruikers van het net [13] .
gestandaardiseerde aansluitpunt, aan de hand van artikel 2.3.3.C TCE en bijlage A TCE [15] . Essentieel onderdeel van de bestaande en bij de wetswijziging gehandhaafde systematiek is de regeling inzake standaardaansluitingen voor aansluitingen tot en met 10 MVA. De standaardaansluitingen zijn opgenomen in de tabel in 2.3.3.C en nader omschreven in bijlage A (zie artikel 2.2.2 TCE).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Delta heeft gehandeld in strijd met deze uitleg en heeft daarmee jegens Windpark onrechtmatig gehandeld.Zij beroept zich vergeefs op een rechtvaardigingsgrond. Het oordeel van het CBb, waarbij de Elektriciteitswet 1998 letterlijk werd uitgelegd, rechtvaardigt zo'n beroep niet. (…).” (rov. 4.1 Rb; cursivering toegevoegd, A-G).
onderdeel 1.3evenmin in de memorie van grieven worden gelezen. Voor het geval dat het hof van oordeel mocht zijn geweest dat zich hier één van de in de jurisprudentie erkende uitzonderingen op het grievenstelsel voordoet, klaagt
onderdeel 1.4dat die beslissing rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is; de uitleg van de beslissing van het CBb was geen kwestie van openbare orde. De klachten 1.1 – 1.4 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
dezewettelijke verplichting niet na te komen (anders gezegd: niet door een actief handelen, maar door een nalatigheid) heeft Delta zich onrechtmatig gedragen jegens het Windpark. In de redenering van het Windpark hebben de uitspraak van het CBb en het daarop volgende besluit van de raad van bestuur van de NMa van 13 maart 2009 niet een constitutief karakter (zij schiepen niet een nieuwe verplichting). Zij hebben een declaratoir karakter. De verplichting van Delta om voor het juiste (standaard)tarief een aansluiting te realiseren, althans aan te bieden, vloeit rechtstreeks uit de wet voort en bestond al in mei 2005.
Onderdeel 4.1klaagt dat het hof heeft miskend dat de burgerlijke rechter gebonden is aan het oordeel van de (hoogste) bestuursrechter (de zgn. ‘oneigenlijke formele rechtskracht’). Subsidiair klaagt het middelonderdeel over onbegrijpelijkheid van dit oordeel, in het licht van de stelling van het Windpark dat Delta gebonden is aan de beslissing van het CBb dat Delta op ondeugdelijke gronden heeft geweigerd te voldoen aan het verzoek van het Windpark om een aansluiting te verstrekken voor het tarief van een aansluiting op de locatie Jacobahaven.
onderdeel 7.2, gericht tegen de verdere gevolgtrekkingen die het hof hieraan heeft verbonden in rov. 4.6.11 – 4.6.14.
of de in het verkeer geldende opvattingenvoor zijn rekening komt. Met deze toerekening wordt een verband gelegd tussen de dader en zijn gedraging. Het ‘schuld’-vereiste, bedoeld in dit artikellid, ziet op de mate waarin de onrechtmatige daad aan de dader kan worden verweten. Het ontbreken van schuld kan onder meer gelegen zijn in een verontschuldigbare dwaling van de dader over de feiten of over het recht [32] . Een beroep van een dader op rechtsdwaling wordt door de rechter in het algemeen niet gemakkelijk aanvaard: enerzijds omdat een ieder zich kan laten informeren over de juridische consequenties van de te maken keuzen [33] , anderzijds omdat een dader bij onzekerheid over zijn rechtstoestand zich kan onthouden van een voorgenomen gedraging.
quasioptreedt als een bestuursorgaan wiens besluit vernietigd is wegens strijd met de wet. De slotsom is dat zowel de primaire rechtsklacht als de subsidiaire motiveringsklacht van onderdeel 7 faalt.
naar verkeersopvattingenvoor rekening van een aansprakelijk gestelde partij kan komen, ook zonder dat haar een verwijt daarvan treft. Indien het hof deze mogelijkheid heeft onderkend, maar van oordeel is dat in dit geval de onjuiste uitleg van de Elektriciteitswet met bijbehorende tariefstructuren naar verkeersopvattingen niet voor rekening van Delta komt, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting: de Elektriciteitswet en de bijbehorende tariefstructuur richten zich immers tot de netbeheerder. Zij strekken ter bescherming van afnemers, teneinde misbruik door de netbeheerder van zijn monopolie-positie te voorkomen. Subsidiair klaagt het middelonderdeel dat de beslissing onbegrijpelijk is, omdat het hof niet althans onvoldoende heeft gerespondeerd op de in alinea 3.27 hiervoor genoemde stellingen van het Windpark, noch op de stelling dat Delta een bevoegdheid heeft om de kosten via nacalculatie om te slaan over alle gebruikers en langs die weg de te vergoeden schade ten laste van de collectiviteit kan brengen [39] . Deze omstandigheden hadden het hof dwingend tot de slotsom moeten leiden dat de schade als gevolg van de onjuiste offerte naar verkeersopvattingen voor rekening van Delta behoort te komen, aldus het Windpark.
toe te schrijvendeskundigheid is een factor voor aansprakelijkheid en toerekening. Het klassieke voorbeeld van toeschrijven van deskundigheid is de goedwillende, maar onervaren medisch beroepsbeoefenaar die een kunstfout maakt door het niet tijdig onderkennen van een betrekkelijk zelden voorkomende complicatie: deze fout wordt de beroepsbeoefenaar toegerekend, zelfs indien hem of haar niet een persoonlijk verwijt valt te maken. Dat stemt overeen met de over en weer bestaande verwachtingen: de patiënt vertrouwt erop dat de arts zijn of haar vak verstaat. Ik acht onderdeel 8 om deze reden gegrond. Gegrondbevinding van dit middelonderdeel en van onderdeel 2 maakt dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
onderdeel 9. Hierin keert het Windpark zich met detailklachten tegen vaststellingen die het hof in rov. 4.6.10 heeft gedaan.
Onderdeel 9.1klaagt dat de overweging dat Delta een “commerciële onderneming met een winstoogmerk” is, met slechts de bijzonderheid dat zij niet vrij is in het vaststellen van haar prijzen, dat haar bedrijfsuitoefening en de tariefstructuur gereguleerd zijn via de Elektriciteitswet 1998 en de TarievenCode en dat zij voor bepaalde taakonderdelen aan toezicht onderworpen is, onjuist of onbegrijpelijk is. Deze klacht vormt een herhaling van onderdeel 7.1 en behoeft verder geen bespreking.
onderdeel 9.2(9.2.1 – 9.2.3) is de overweging dat Delta zich steeds heeft gericht naar het beleid van de NMa onbegrijpelijk in het licht van de betwisting van deze stelling door het Windpark, onder verwijzing naar de beslissing op bezwaar van de Dienst uitvoering en toezicht energie (Dte) van 11 april 2001 [43] . Indien het hof deze betwisting onvoldoende specifiek heeft geacht, miskent het hof dat kennis over de beleidslijnen van de Dte/NMa in het domein van Delta ligt. Daarom lag het op de weg van Delta om nadere stellingen aan te voeren over de door haar gestelde beleidslijn; niet op de weg van het Windpark om nadere feitelijke gegevens hierover te verstrekken [44] . Bij behandeling van deze klacht mist het Windpark belang indien het bestreden arrest om andere reden al geen stand houdt. Hetzelfde geldt voor
onderdeel 9.3(9.3.1 – 9.3.3), gericht tegen de vaststelling in rov. 4.6.10 (vierde gedachtestreepje) dat Delta tot aan de onderhavige kwestie steeds heeft geoffreerd overeenkomstig het door de raad van bestuur van de NMa in een reeks uitspraken uiteengezette beleid. Het subonderdeel verwijst naar een aantal door het Windpark naar voren gebrachte stellingen, waaraan het hof zou zijn voorbijgegaan.
klachten onder 9.6, 9.7, 9.8 en 10bouwen voort op de voorgaande klachten en behoeven hier geen afzonderlijke bespreking.