ECLI:NL:PHR:2015:498

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2015
Publicatiedatum
23 april 2015
Zaaknummer
14/04309
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 218 SvArt. 552a SvArt. 552d SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake beslag op geheimhoudersstukken advocaat wegens onvoldoende motivering

In deze zaak stond de vraag centraal of beslag op geheimhoudersstukken van een advocate gerechtvaardigd was in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De rechtbank had het beklag van de advocate tegen het beslag ongegrond verklaard, stellende dat de stukken voorwerp waren van het strafbare feit of daartoe hadden gediend. De advocate voerde aan dat de stukken onder haar geheimhoudingsplicht vielen en niet relevant waren voor het strafbare feit.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank had niet duidelijk gemaakt op welke wijze de stukken onderdeel uitmaakten van het strafbare feit, noch had zij bijzondere omstandigheden vastgesteld die het belang van waarheidsvinding boven het verschoningsrecht deden prevaleren. Het enkele feit dat de stukken nuttig konden zijn voor het onderzoek was onvoldoende.

De Hoge Raad benadrukte dat het verschoningsrecht van advocaten in beginsel gerespecteerd moet worden, tenzij er geen redelijke twijfel bestaat over het onjuist zijn van het standpunt van de advocaat dat de stukken onder het verschoningsrecht vallen. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling met een deugdelijke motivering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering omtrent het beslag op geheimhoudersstukken van een advocate.

Conclusie

Nr. 14/04309 B
Mr. Harteveld
Zitting 17 maart 2015
Conclusie inzake:
[klaagster] [1]
1. Het beroep in cassatie heeft betrekking op een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2014, waarbij een namens klaagster ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift strekkende tot opheffing van de onder [A] B.V. te Eindhoven inbeslaggenomen geheimhoudersstukken, waaronder declaraties en een rekeningafschrift van de ING, althans tot bepaling dat deze stukken niet gebruikt mogen worden en/of hiervan geen kennis mag worden genomen in het kader van het opsporingsonderzoek, ongegrond is verklaard.
2. Namens klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Haakmeester, advocaat te Oss, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Klaagster is advocate. In het kader van het strafrechtelijke opsporingsonderzoek ter zake van witwassen, genaamd ‘Rykiel’, heeft op 24 mei 2013 een doorzoeking plaatsgevonden bij het kantoor van [A] B.V. te Eindhoven. Daarbij is onder meer beslag gelegd op geschriften, waaronder declaraties en een rekeningafschrift van de ING. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld zij werkzaamheden aangaande een privékwestie voor een werknemer van één van de verdachten heeft verricht en dat de verdachte, zijnde de werkgever van haar cliënt, enkel de declaraties heeft voorgeschoten. Aldus heeft klaagster niet enige dienstverlening voor de verdachte/werkgever verricht en vallen de inbeslaggenomen documenten onder haar geheimhoudingsplicht. Bij klaagschrift heeft zij de teruggave daarvan verzocht.
4.1. Het
middelklaagt over de ongegrondverklaring van het beklag. In het bijzonder is het oordeel van de Rechtbank, dat de inbeslaggenomen geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd en voorts blijkt niet dat zij in haar beslissing bijzondere omstandigheden heeft meegewogen.
4.2. De procedure die in het onderhavige geval is gevoerd vertoont overeenkomsten met de procedure, zoals die sinds 1 maart 2015 [2] voor het beslag onder geheimhouders is geregeld in (het daartoe uitgebreide) art. 98 Sv Pro. Met vernummering van lid 2 tot lid 5 luiden de leden 2, 3 en 4 van art. 98 Sv Pro thans als volgt:
“ 2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”
Als ik het goed zie dan is deze wetswijziging deels een codificatie van hetgeen met de zgn. ‘gesloten enveloppe’-procedure in de praktijk werd beoogd te bereiken, te weten dat slechts na een rechterlijke toets tot kennisneming van de stukken door de inbeslagnemende autoriteit kan worden overgegaan. [3] In de nieuwe wettelijke regeling is die rechterlijke autoriteit in eerste instantie de rechter-commissaris, tegen wiens beslissing vervolgens een klaagschrift ingediend kan worden bij – doorgaans - de rechtbank. [4] Per saldo is dat de situatie die in de onderhavige zaak ook is bereikt. Opmerking daarbij verdient dat, zo oordeelde de Hoge Raad, de omstandigheid dat de rechter-commissaris ter beoordeling van de relevantie van de stukken voor de waarheidsvinding of ter beoordeling van het standpunt van de verschoningsgerechtigde kennisneemt van de stukken niet meebrengt dat sprake is van een inbreuk op het verschoningsrecht. [5] Het lijkt mij dat indien naar aanleiding van de beslissing van de rechter-commissaris een klaagschrift is ingediend bij de rechtbank, deze ter beoordeling van een eventueel geschil op dit punt, evenzeer van de stukken moet kunnen kennisnemen. Een ‘blind’ oordeel van de rechtbank zoals in de verzegelde enveloppenprocedure wel werd gepropageerd – en waartegen mijn toenmalige ambtgenoot C.J. G. Bleichrodt In zijn conclusie onder 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1370, al bezwaren uitte – lijkt mij ongewenst. [6] De rechtbank zal toch zoveel mogelijk haar eigen oordeel over het twistpunt moeten kunnen geven.
4.3. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 6 juni 2014 heeft de raadsvrouw het woord gevoerd, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities. De raadsvrouw heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom zij zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechter-commissaris van 26 maart 2014 [7] dat de inbeslaggenomen geheimhoudersstukken kunnen worden beschouwd als voorwerp van strafbare feiten of als stukken die tot het begaan daarvan hebben gediend. Daartoe heeft zij - kort samengevat en in mijn woorden - het volgende aangevoerd. De rechter-commissaris heeft in aanmerking genomen dat de verdenking jegens de verdachten betrekking heeft op het met illegale inkomsten aankopen van vastgoed en/of het gebruik maken van allerlei verhullende financiële constructies. Nu de inbeslaggenomen documenten zien op de advisering over aandelen- en vastgoedtransacties, andere financiële transacties en dienstverlening anderszins, is de rechter-commissaris tot voorgenoemde conclusie gekomen. Ten aanzien van de declaraties van klaagster, gevonden in de boekhouding van [A], is de rechter-commissaris niet anders van oordeel. Volgens de raadsvrouw heeft zij werkzaamheden verricht voor een personeelslid van één van de verdachten inzake een privéaangelegenheid en heeft zij voor haar werkzaamheden nota’s uitgeschreven. De rekeningen zijn door de werkgever van haar cliënt voldaan. Deze had geen andere rol dan geldschieter. Er is geen sprake geweest van handelingen die erop gericht zijn om strafbare handelingen te verhullen. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom deze declaraties onderdeel zouden uitmaken van strafbare feiten, dan wel daartoe hebben gediend.
In raadkamer heeft de raadsvrouw uitdrukkelijk betwist dat enige dienst is verleend aan de verdachte werkgever en dat er andere manieren voorhanden zijn om onderzoek te doen naar de geldstromen door bijvoorbeeld naar de administratie van [A] te kijken.
In het ingediende klaagschrift is vermeld dat klaagster geen toestemming heeft gegeven voor gebruik van deze stukken en zij zou ook geen toestemming hebben gegeven voor inbeslagneming, indien vooraf om haar toestemming zou zijn gevraagd.
4.4. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

De beoordeling

(…)
"Er ligt een concrete verdenking van witwassen tegen een cliënt van klager. Voor het traceren van de geldstromen en dus ten behoeve van de waarheidsvinding en het onderzoek naar eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel is het noodzakelijk dat ook de onderhavige stukken in het onderzoek worden betrokken. Dat onderzoek is nog niet afgerond. Gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98 tweede Pro lid van het Wetboek van Strafvordering moet worden uitgelegd, maken de geschriften naar het oordeel van de rechtbank voorwerp van het strafbare feit uit of hebben tot het begaan daarvan gediend. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek ook zonder de inbeslaggenomen stukken met louter andere middelen zou kunnen worden gedaan. Daarmee neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om het traceren van geldstromen en niet louter om het traceren van formeel vastgelegde transacties die in openbare informatiebronnen zijn terug te vinden. Gelet op het voorgaande moet het klaagschrift in zijn geheel ongegrond worden verklaard.
(…)

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het beklag
ongegrond."
4.5.
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Ingevolge art. 98 Sv Pro mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv Pro - zoals i.c. een advocate - zonder hun toestemming brieven of andere geschriften - daaronder vallen ook declaraties [8] - tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. [9] Voor een beroep op het verschoningsrecht is niet van belang of de in het geding zijnde informatie zich bij de advocaat zelf of bij diens cliënt bevindt. [10]
Het verschoningsrecht van o.m. de advocaat is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Daarbij geldt voorts dat indien moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit. [11]
4.6.1.
Zoals de Hoge Raad overweegt kan doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Wanneer de verschoningsgerechtigde geheimhouder, zoals in casu, zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven en geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
4.6.2.
Kennelijk tegen de achtergrond van de bevindingen en conclusie van de rechter-commissaris in diens beschikking van 26 maart 2014 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of hebben tot het begaan daarvan hebben gediend. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van dit oordeel van de Rechtbank merk ik het volgende op. De Rechtbank komt tot haar oordeel ‘gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98, tweede lid, Sv moet worden uitgelegd’. De in aanmerking genomen factoren worden echter niet van enige invulling voorzien, zodat ik de redenering van de Rechtbank niet bepaald kan volgen. Het had op de weg van de Rechtbank gelegen nader te motiveren op welke wijze de stukken onderdeel hebben uitgemaakt van de strafbare feiten waarvoor verdenking bestond of tot het begaan van die strafbare feiten hebben gediend. Opmerking verdient dat het enkele feit dat de geschriften ter opheldering van het strafbare feit zouden kunnen dienen (dus voor de waarheidsvinding van belang zijn) in deze context geen geldig argument is om deze buiten het verschoningsrecht te laten vallen. Daarvoor zijn dan weer de (zeer) uitzonderlijke omstandigheden vereist, waaromtrent de rechtbank niets heeft vastgesteld. Met andere woorden: mij is niet duidelijk in welk opzicht en in hoeverre de inbeslaggenomen documenten ‘corpora’ of ‘instrumenta’ zijn van het strafbare feit, ook niet wanneer voor wat betreft de aard en inhoud van de stukken het oordeel van de rechter-commissaris wordt gevolgd. De onbegrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank wordt vergroot als het door de raadsvrouw gestelde in aanmerking wordt genomen. Gelet op het vorenstaande en op hetgeen door de raadsvrouw in raadkamer is aangevoerd, is het oordeel van de Rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. [12] Voor zover het middel hierover klaagt is het mijns inziens terecht voorgesteld.
4.7.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat de beslissing van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd.
4.8.
Het middel slaagt.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige op analoge toepassing van art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Er bestaat samenhang met de zaak [medeklager] (parketnummer 14/03444B). Die zaak betreft geheimhoudersstukken van een andere verschoningsgerechtigde advocaat welke ook in het kader van het strafrechtelijke opsporingsonderzoek ‘Rykiel’ in beslag zijn genomen. In die zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
2.Wet van 19 november 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit) Stb. 2014, 445, in zoverre in werking getreden op 1 maart 2015, Stb. 2014, 513.
3.Zie F. Vellinga-Schootstra, Het medisch verschoningsrecht in strafzaken, DD 2009/60.
4.Tegen welker beslissing weer cassatieberoep openstaat. Zowel de beslissing op het klaagschrift als die op het cassatieberoep is van en termijnregeling voorzien: resp. 30 dagen (art. 552a lid 7 Sv) en 90 dagen (art. 552d lid 3 Sv). En passant wordt in art. 552d lid 3, tweede volzin, Sv bepaald dat de termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie veertien dagen bedraagt.
5.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, NJ 2014, 476, m. nt. F. Vellinga-Schootstra.
6.Zie hierover ook F. Vellinga-Schootstra, a.w. en - anders – mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491.
7.De beschikking van de rechter-commissaris van 26 maart 2014 is als productie 1 gehecht aan het ingediende klaagschrift.
8.In HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4663, is bepaald dat declaraties ook onder het beroepsgeheim van een advocaat (kunnen) vallen.
9.Vgl. o.a. HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162 en HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9694, NJ 1994/537.
10.Vgl. o.m. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, rov. 3.3.
11.Vgl. o.m. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280.
12.Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434 en HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2062. Zie ook: HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740 (OM-cassatie).