Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Awordt geklaagd over rov. 3.5.2. In
subonderdeel A.1wordt het hof verweten dat het, hoewel het terecht heeft overwogen dat bij het bepalen van de behoefte van de vrouw ook toekomstige kosten in aanmerking kunnen worden genomen, te strenge eisen heeft gesteld aan de mate waarin deze kosten moeten worden onderbouwd. Zij behoeven volgens het subonderdeel slechts globaal te worden geschat, terwijl slechts een zekere mate van waarschijnlijkheid van die kosten aannemelijk behoeft te worden gemaakt (A.1.1). Als het hof dat niet heeft miskend maar niettemin heeft geoordeeld dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, is dat oordeel volgens het subonderdeel in het licht van de gedingstukken, meer in het bijzonder van de in het hoger beroep door de vrouw in het geding gebrachte behoeftelijst, onbegrijpelijk (A.1.2). Als het hof heeft geoordeeld dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, voldoet het bestreden oordeel volgens het subonderdeel niet aan de grondbeginselen van een behoorlijke rechtspleging, omdat niet duidelijk wordt op welke punten het hof heeft geoordeeld dat van een onvoldoende onderbouwing sprake is. Zulks geldt volgens het subonderdeel temeer, nu de man de verschillende posten op de behoeftelijst niet of nauwelijks (gemotiveerd) zou hebben betwist (A.1.3). Ten slotte betoogt het subonderdeel dat gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten ook de op de bestreden rechtsoverweging voortbouwende oordelen van het hof in de rov. 3.5-3.5.6 en 3.5.12, alsmede in het dictum, vitieert (A.1.4).
“(a)an de man kan worden toegegeven dat de vrouw dit lijstje(het in de eerste volzin van rov. 3.5.2 bedoelde
“wenslijstje”, dat verderop in rov. 3.5.2 wordt aangeduid als
“het behoeftelijstje”; LK)
onvoldoende heeft onderbouwd,”maar zulks heeft het hof
nietervan weerhouden het bedoelde lijstje bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw te betrekken, in welk verband het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat aan de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij in de tussensituatie waarin zij zich bevindt, minder uitgeeft dan wel haar uitgaven beperkt. Dat de vrouw de door haar gestelde behoefte onvoldoende (waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld: met onvoldoende concrete gegevens; zie ook hierna onder 2.3) heeft onderbouwd, heeft het hof kennelijk niet beslissend geacht, nu, zoals het hof in de eerste volzin van rov. 3.5.2 heeft overwogen, het door de vrouw gemaakte lijstje een
“wenslijstje”is
“dat ziet op een toekomstige situatie waarin zij weer over een inkomen beschikt vergelijkbaar met de welvaart van partijen tijdens het huwelijk.”
onderbouwingvan de daarop opgevoerde posten, maar vindt kennelijk hierin zijn grond dat het hof niet alle opgevoerde posten
redelijkheeft geacht en óók het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk in aanmerking heeft genomen (
“Uitgaande van een aantal redelijke uitgaven op het behoeftelijstje en daarbij in aanmerking nemende dat partijen (…) ten tijde van hun huwelijk een netto besteedbaar gezinsinkomen hadden van (…)”); voorts is de door het hof vastgestelde behoefte kennelijk mede hierdoor bepaald dat het hof geen aanleiding heeft gezien voor een verhoging van de behoefte in verband met (de mogelijkheid tot) vermogensvorming, omdat de vrouw voor de helft is gerechtigd tot het reeds aanwezige
“aanzienlijk(e) vermogen”en dus uit het aan haar toekomende deel kan sparen.
“de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud”verlangt de Hoge Raad immers van de alimentatierechter dat hij de behoefte zoveel mogelijk aan de hand van
concrete gegevensbetreffende die kosten bepaalt [2] . Ik versta de tweede volzin van rov. 3.5.2 aldus, dat het naar het oordeel van het hof in de zin van die rechtspraak aan voldoende concrete gegevens met betrekking tot de op het bedoelde lijstje opgevoerde (en veelal op cijfers van het NIBUD gebaseerde [3] ) kosten ontbreekt. Aan dat oordeel kon overigens bijdragen dat de vrouw het door haar ingediende lijstje, zoals opgenomen in het cassatierekest onder A.1.2, p. 6, ook in het licht van de betwisting van (vrijwel elk van) de daarop voorkomende posten door de man in diens verweerschrift tevens houdende incidenteel appel (p. 7-9), niet nader heeft onderbouwd.
“de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud”in de zin van de door het subonderdeel bedoelde jurisprudentie sprake is. Met die formulering wordt naar mijn mening gedoeld op kosten die met een zekere onafwendbaarheid voor de alimentatiegerechtigde zullen opkomen, en
nietop kosten die de alimentatiegerechtigde voornemens is eerst te zullen maken op het moment dat hij of zij kan beschikken over een alimentatie-uitkering die hem of haar in staat stelt te leven in de mate van welstand waarop hij of zij aanspraak meent te hebben. In de kennelijk door het hof gevolgde gedachtegang doet die laatste situatie zich hier voor: het hof heeft in de eerste volzin van rov. 3.5.2 immers gesproken van een
“wenslijstje (…) dat ziet op een toekomstige situatie waarin (…) (de vrouw) weer over een inkomen beschikt vergelijkbaar met de welvaart van partijen tijdens het huwelijk.”In een dergelijke situatie gaat het niet zozeer om de aannemelijkheid van bepaalde reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud, als wel om de vraag op welke mate van welstand de alimentatiegerechtigde, gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk, aanspraak kan maken.
“een wenslijstje (…) dat ziet op een toekomstige situatie waarin zij weer over een inkomen beschikt vergelijkbaar met de welvaart van partijen tijdens het huwelijk”. Zoals hiervóór (onder 2.3) al aan de orde kwam, meen ik dat het debat over de op een dergelijke lijst opgenomen posten eerder betrekking heeft op de
huwelijksgerelateerde welstandwaarop de alimentatiegerechtigde aanspraak meent te kunnen maken dan op reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten
kosten van levensonderhouddie
náástde huwelijksgerelateerde welstand bij de vaststelling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde in aanmerking dienen te worden genomen (zij het dat de redelijkheid van dergelijke kosten mede aan de hand van de vastgestelde mate van welstand moet worden beoordeeld) [4] . Tegen die achtergrond meen ik dat het hof de volgens de vrouw bij de door haar beoogde mate van welstand passende en veelal slechts met cijfermateriaal van het NIBUD onderbouwde posten niet náást de huwelijksgerelateerde behoefte in aanmerking behoefde te nemen en evenmin behoefde te verantwoorden welke van die beoogde posten het naar de mate van de huwelijksgerelateerde welstand wel of niet redelijk achtte. De klacht onder A.2.1 acht ik daarom ongegrond. Daaraan doet het in het subonderdeel genoemde arrest (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2242) niet af. Uit dat arrest, dat een door de alimentatiegerechtigde overgelegde
“begroting van haar maandelijkse uitgaven”(rov. 3.2) betrof, blijkt niet dat die begroting andere dan haar
actuelekosten omvatte en meer in het bijzonder (zoals het hof ten aanzien van de behoeftelijst in de onderhavige zaak heeft aangenomen) zou hebben gezien op een
toekomstigesituatie waarin de vrouw weer in een zelfde mate van welstand zou verkeren als tijdens het huwelijk van partijen. In de tweede plaats speelde in het genoemde arrest, anders dan in de onderhavige zaak, een rol dat partijen ten processe uitvoerig over een groot aantal van de betrokken posten hadden gedebatteerd.
“in redelijkheid en billijkheid begroot”,
“(u)itgaande van een aantal redelijke uitgaven op het behoeftelijstje en daarbij in aanmerking nemende dat partijen (…) ten tijde van hun huwelijk een netto besteedbaar gezinsinkomen hadden van afgerond tussen de € 5.500,- en € 6.000,-”.
“een aantal redelijke uitgaven op het behoeftelijstje”. Daarop is de klacht echter niet gericht.
“gemiddeld”tussen het bedrag van € 1.755,- per maand en het bedrag dat zich, uitgaande van een gezinsinkomen € 5.500,-, met toepassing van de 60%-regel op € 3.300,- per maand laat berekenen; zodoende zou het hof op een bedrag van (afgerond) € 2.500,- per maand zijn uitgekomen. Dat het hof aldus tewerk is gegaan, acht ik niet uitgesloten. Dat scenario is echter wel speculatief, vooral nu het hof niet aan de door de man berekende actuele uitgaven van de vrouw heeft gerefereerd en in plaats daarvan heeft gerept van
“een aantal redelijke uitgaven op het behoeftelijstje”. Overigens zou in het door de man bedoelde scenario niet onbegrijpelijk zijn dat het hof (in dat geval mede met toepassing van de 60%-regel) de behoefte van de vrouw op € 2.500,- heeft bepaald en zou de motiveringsklacht onder A.2.2 evenmin slagen.
“marginale toets”heeft gebruikt ter beantwoording van de vraag of überhaupt van een huwelijksgerelateerde behoefte sprake is. Daarmee zou het hof volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting hebben blijk gegeven, althans zijn oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd, omdat de behoefte zoveel mogelijk dient te worden bepaald aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval en, meer in het bijzonder, aan de hand van
“concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud”. Voor zover de bestreden beschikking al aanknopingspunten biedt voor de beperkte rol die het behoeftelijstje in de door het subonderdeel aan het hof toegeschreven gedachtegang zou hebben gespeeld, meen ik dat de daaraan verbonden klacht niet slaagt. Zoals hiervoor al betoogd, heeft het hof de behoeftelijst als een
“wenslijstje”opgevat, dat niet de actuele kosten van de vrouw weergeeft, maar de kosten die zij beoogt te maken wanneer zij weer in staat zal worden gesteld in eenzelfde welstand als tijdens het huwelijk te leven. De posten op de bedoelde lijst betreffen geen (náást de huwelijksgerelateerde welstand in aanmerking te nemen)
“reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud”in de zin van de jurisprudentie van de Hoge Raad, terwijl het (naar het oordeel van het hof) bovendien aan concrete gegevens betreffende die kosten ontbreekt. Bij die stand van zaken behoefde het hof niet méér betekenis aan die posten toe te kennen dan het in het hier door het subonderdeel veronderstelde scenario heeft gedaan.
“in de omstandigheden van partijen”redelijk geacht, na te hebben gereleveerd dat de man heeft aangevoerd dat hij weliswaar drie dagen maar verspreid over vijf dagen per week werkt, dat hij daarvoor zeer goed wordt betaald en dat er voor hem derhalve geen aanleiding is om een hoger inkomen te vragen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof het niet realistisch gevonden dat de man om een uitbreiding van zijn dienstverband en een overeenkomstige verhoging van zijn inkomen zou vragen. Uit hetgeen de man ter zitting van 30 april 2014 heeft aangevoerd, kon het hof zeer wel afleiden dat volgens de man een uitbreiding van zijn dienstverband en een overeenkomstige verhoging van zijn salaris niet tot de mogelijkheden behoren. Volgens de man geldt dat de
“(d)e eigenaar van de onderneming (…) nog lang niet klaar (is) met werken en (…) echt nog zijn eigen strategie (bepaalt)”, dat “
hij duur wordt betaald voor drie dagen per week”en dat
“(h)ij (…) echt niet (gaat) vragen om meer geld (…)” [8] . Weliswaar heeft de man voorts verklaard dat
“(h)et salaris (…) bij vijf werkdagen per week inderdaad € 200.000,- (is)” [9] . Dat zijn salaris zich naar een salaris van € 200.000,- bij een aanstelling voor vijf dagen per week laat omrekenen, impliceert echter nog niet dat een uitbreiding van het dienstverband tot vijf dagen per week daadwerkelijk tot de mogelijkheden behoort. Daarbij ware te bedenken dat bij hoogbetaalde functies als die van de man de behoefte van de onderneming en het bedrag dat de onderneming voor de vervulling van de functie over heeft, doorgaans meer bepalend zullen zijn dan de wensen van de betrokken functionaris.