Belanghebbende, werkzaam als rijnvarende op een binnenvaartschip, was in 2009 verzekerd via verschillende werkgevers in Luxemburg en Cyprus. De Inspecteur legde een aanslag premie volksverzekeringen (PVV) op en weigerde vrijstelling voor de periode na intrekking van de Rijnvaartverklaring op 24 juli 2009.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat het schip na intrekking nog door de Luxemburgse exploitant werd geëxploiteerd en dat de Nederlandse BV als exploitant geldt. Hierdoor is de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing. Ook werd geoordeeld dat de E101- en E106-verklaringen geen betekenis hebben omdat het Rijnvarendenverdrag (RVV) voorrang heeft boven de EU-Verordening 1408/71.
Het hof bevestigt deze overwegingen en wijst het hoger beroep af. Het hof benadrukt dat belanghebbende als Nederlands ingezetene premieplichtig is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat een andere verdragsluitende partij van toepassing is. De bewijslast hiervoor ligt bij belanghebbende. Het hof concludeert dat de Nederlandse wetgeving exclusief van toepassing is en dat de aanslag terecht is opgelegd.