AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt arrest hof over niet-ontvankelijkheid memorie van grieven per fax
In deze zaak stond centraal of het hof terecht een memorie van grieven, die tijdig per fax was ingediend, buiten behandeling had gelaten op grond van artikel 2.1 van het procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Eisers hadden in hoger beroep een memorie van grieven per fax ingediend, maar het hof verleende een akte niet-dienen en verklaarde hen niet-ontvankelijk omdat het procesreglement per fax ingediende stukken niet in behandeling neemt.
De Hoge Raad overwoog dat het verbod in het procesreglement onvoldoende wettelijke grondslag heeft, mede gelet op artikel 33 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat indiening per fax erkent als elektronische indiening. De Hoge Raad benadrukte dat de memorie van grieven een cruciaal stuk is, waarvan het niet indienen leidt tot niet-ontvankelijkheid en dat het hof ten onrechte de fax niet in behandeling heeft genomen.
De Hoge Raad stelde dat het hof had moeten terugkomen op de beslissing en dat de zaak voor inhoudelijke beoordeling moet worden terugverwezen. De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de parlementaire geschiedenis, eerdere jurisprudentie en het belang van rechtszekerheid en toegang tot de rechter bij elektronische indiening van processtukken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en de rolbeslissing en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van de memorie van grieven die tijdig per fax was ingediend.
Conclusie
Zaaknr. 14/04452
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 6 februari 2015
Conclusie inzake:
1. [eiseres 1]
2. [eiser 2]
tegen
1. [verweerster 1]
2. [verweerder 2]
Het gaat in deze zaak in cassatie om de vraag of het hof een tijdig per fax ingediende memorie van grieven buiten behandeling mocht laten op grond van art. 2.1 van het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’ (hierna: het procesreglement), waarin – voor zover van belang – is bepaald dat “per telefax ingediende processtukken niet in behandeling [worden] genomen.”
1.1 Bij inleidende dagvaarding van 1 augustus 2012 hebben eisers tot cassatie, [eiseres 1] en [eiser 2] (hierna gezamenlijk: [eisers]), verweerders in cassatie (hierna: [verweerster 1] en [verweerder 2] en gezamenlijk: [verweerders]) gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht. Zij hebben daarbij in conventie gevorderd (i) een verklaring voor recht dat de overeenkomst strekkende tot levering van de aandelen in DLI Dry Cleaning en Laundry International B.V. en de daaraan gekoppelde overeenkomsten van geldlening, hypotheekstelling en borgstelling zijn vernietigd wegens bedrog of dwaling; (ii) veroordeling van [verweerster 1] en/of [verweerder 2] tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en (iii) veroordeling van [verweerders] tot betaling van buitengerechtelijke en proceskosten.
1.2 [verweerders] hebben – samengevat – in (voorwaardelijke) reconventie veroordeling gevorderd van [eiseres 1] tot betaling van € 75.000,-, vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat voor zover de in conventie gevorderde verklaring voor recht wordt gegeven.
1.3 De rechtbank Limburg [2] heeft bij vonnis van 3 juli 2013 alle vorderingen in conventie en reconventie afgewezen.
1.4 [eisers] zijn van dit vonnis, voor zover in conventie gewezen [3] , in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Zij hebben in de appeldagvaarding [verweerders] aangezegd dat zij “op de nog nader bij memorie van grieven te adstrueren gronden, o.a. inhoudend dat de bestreden beslissing niet (voldoende) wordt gedragen door de feiten” in hoger beroep komen van het vonnis en hebben vervolgens gevorderd dat het hof dit vonnis vernietigt en hun vorderingen alsnog geheel of gedeeltelijk toewijst.
1.5 Op de rol van 10 december 2013 heeft het hof ambtshalve akte niet-dienen van memorie van grieven verleend. Vervolgens hebben [eisers] een akte uitlating pleidooiverzoek ingediend, gevolgd door een akte uitlating van [verweerders] Bij brief van 17 maart 2014 heeft het hof partijen meegedeeld dat de door [eisers] bij hun akte uitlating pleidooiverzoek als productie gevoegde memorie van grieven niet tot de processtukken behoort. Op 31 maart 2014 heeft pleidooi plaatsgevonden.
1.6 Het hof heeft [eisers] vervolgens bij arrest van 29 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep nu zij geen grieven tegen het bestreden vonnis hebben aangevoerd.
1.7 [eisers] hebben tijdig [4] cassatieberoep ingesteld tegen, onder meer, de rolbeslissing van 10 december 2013 en het arrest van 29 april 2014.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
[eisers] hebben afgezien van het geven van schriftelijke toelichting.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel, dat uit drie onderdelen (klachten 1.1-1.3) bestaat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.2.1 tot en met 3.2.4, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“3.2.1 In hun pleitnota verzoeken [eisers] het hof terug te komen op de beslissing van de rolraadsheer van 10 december 2013 waarbij akte niet-dienen van het nemen van de memorie van grieven werd verleend. Zij voeren daartoe aan dat:
a) de memorie van grieven op 10 december 2013 vóór het roltijdstip van 10.00 uur per fax op de griffie van het hof is aangekomen;
b) de memorie van grieven op 10 december 2013 per post op de griffie van het hof is aangekomen, maar dat alleen niet bekend is op welk tijdstip.
3.2.2
Het hof ziet in het onder a) aangevoerde argument geen aanleiding om terug te komen op de verleende akte niet-dienen.
Art. 33 lid 1 vanPro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) luidt:
‘Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement’.
Ook de verzending per fax is een vorm van elektronisch verkeer (MvT, Kamerstukken II 2006/07, 30 815, nr. 3, p. 13).
Artikel 2.1 van het Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
‘ Tijdstip en wijze van indiening
Voor zover in artikel 3.1 niet anders is bepaald, wordt een voor een roldatum bestemd
processtuk uiterlijk op het inlevertijdstip ter griffie ingediend door verzending per post of door afgifte aan de centrale balie. Per telefax ingediende processtukken worden niet in behandeling genomen (...)’.
Ter uitvoering van deze bepalingen heeft de griffie het door [eisers] ingediende H3-formulier aan hen geretourneerd. Op dat formulier is met een stempel meegedeeld:
‘ Rolinstructies en/of bijbehorende stukken worden per fax niet geaccepteerd’.
Het hof overweegt dat met de weigering van de gefaxte memorie van grieven op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de toepasselijke bepalingen.
Weliswaar beroepen [eisers] zich, impliciet, nog op het bepaalde in art. 33 lid 3 RvPro dat gaat over de elektronische ontvangst van processtukken door een gerecht, en meer in het bijzonder: ‘… Verzendingen die voor 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend’.[eisers] gaan er daarbij echter aan voorbij dat deze bepaling alleen geldt indien het gerecht de elektronische verzending van het processtuk heeft toegestaan, maar daarvan is geen sprake.
3.2.3
Het hof overweegt dat het onder b) aangevoerde argument feitelijke grondslag mist. Anders dan [eisers] in hun pleitnota stellen, is de per post verzonden memorie niet op de roldatum van dinsdag 10 december 2013 ter griffie aangekomen, maar op woensdag 11 december 2013. Aan [eisers] is daarvan ook bericht gezonden door middel van een voorgedrukt faxformulier, gedateerd 11 december 2013. De waarnemend griffier heeft op die datum geconstateerd dat de stukken te laat zijn ingediend. Zij heeft daarbij nog vermeld: 'was voor 10/12/13 '.
3.2.4
Mede in verband met art. 1.6 en 1.15 van het procesreglement, overweegt het hof dat er evenmin andere redenen zijn gesteld of ambtshalve zijn gebleken die aanleiding zouden geven om terug te komen op de beslissing tot het verlenen van de akte niet-dienen.”
2.2
Kern van de onderdelen 1 en 2 [5] (onderdeel 3 bevat een ‘voortbouwklacht’) is dat het hof, hoewel zijn oordeel in overeenstemming is met de letter van art. 2.1 van het procesreglement, ten onrechte de vóór het inlevertijdstip per fax ingediende memorie van grieven niet (alsnog) in behandeling heeft genomen. Volgens het middel is de gefaxte memorie tijdig aangekomen op de griffie en is de memorie voorts de volgende dag nog eens per post bezorgd. Het enige verzuim (aanleveren per fax in plaats van per post) is dus een dag later hersteld. De wederpartij is door deze gang van zaken niet benadeeld geweest. Daar staat tegenover dat de gevolgen voor [eisers] fataal zijn, nu op het ontbreken van grieven onherroepelijk een niet-ontvankelijkheid volgt.
Onderdeel 1klaagt dat het bepaalde in artikel 2.1 van het procesreglement in verbinding met art. 33 lid 1 RvPro er niet aan afdoet dat een op zichzelf tijdig per fax bij de griffie van het hof aangekomen memorie van grieven door het hof in behandeling had moeten worden genomen en geen akte niet-dienen had mogen worden verleend, althans indien deze memorie de volgende dag alsnog per post ter griffie wordt bezorgd.
Onderdeel 2richt zich tegen het oordeel van het hof dat er – mede in verband met art. 1.6 en 1.15 van het procesreglement – evenmin andere redenen zijn gesteld of ambtshalve zijn gebleken die aanleiding zouden geven om terug te komen op de beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen. [eisers] acht dit oordeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van vijf in de cassatiedagvaarding omschreven essentiële omstandigheden die [eisers] hebben aangevoerd.
2.3
Het hof heeft voor zijn oordeel tot uitgangspunt genomen dat het in rechtsoverweging 3.2.2 geciteerde artikel 2.1 van het procesreglement bepaalt dat per telefax ingediende processtukken niet in behandeling worden genomen.
Deze onmogelijkheid is voor het eerst [6] bepaald in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven’ tweede versie van januari 2011 [7] , en is ook opgenomen in artikel 2.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven’ derde versie van januari 2013 [8] en in de vierde versie van januari 2014 [9] . Daarmee is de uitkomst van deze zaak bepalend voor de wijze van indienen van een memorie van grieven bij alle gerechtshoven.
2.4
De hoven staan in verzoekschriftprocedures wel toe dat het beroepschrift en het verweerschrift per fax worden ingediend (artikel 1.1.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, vijfde versie, januari 2014 en artikel 1.1.4 en 2.1.1.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven, vijfde versie, januari 2014 [10] ). Voorwaarde is dat de stukken per omgaande per post worden nagezonden of worden afgegeven aan de balie. Slechts in uitzonderingssituaties mag een bericht per fax aan het hof worden gezonden (artikel 1.1.5 van beide reglementen en 2.1.1.5 van het laatste reglement).
2.5
In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Hoge Raad met betrekking tot de indiening van een verzoekschrift/beroepschrift per fax een tweetal richtinggevende beschikkingen gegeven [11] . In de eerste zaak overwoog de Hoge Raad dat een redelijke, met de voortgang van de communicatietechniek rekening houdende en met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing meebrengt dat, ingeval een naar behoren ondertekend verzoekschrift volledig, met de daarop zichtbare ondertekening, per fax wordt verzonden naar en ontvangen door de griffie van het gerecht waarbij het moet worden ingediend, de ter griffie ingekomen faxkopie dient te worden aangemerkt als een naar behoren ondertekend verzoekschrift [12] .
2.6
In de tweede zaak, de beschikking van 10 juni 1994, stelde de Hoge Raad voorop dat het zo moge zijn dat de terminologie in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat een verzoekschrift “ter griffie” wordt “ingediend”, veronderstelt dat het verzoekschrift aan het daartoe bestemde loket van de civiele griffie feitelijk wordt afgeleverd, maar dat daaruit niet mag worden afgeleid dat zo’n feitelijke aflevering de enige manier zou zijn waarop de rechtzoekende zijn verzoekschrift aan het bevoegde gerecht kan doen toekomen. De Hoge Raad overwoog vervolgens:
“Naar hedendaagse opvattingen kan verzending per post of per fax daartoe even goed dienen als feitelijke aflevering aan het daartoe bestemde loket en dient zij deswege daarmede op één lijn te worden gesteld (vgl. resp.: HR 21 april 1978, NJ 1979, 343 en HR 27 november 1992, NJ 1993, 569). Daarbij is het aan de gerechten hun griffie met het oog op verzending van verzoekschriften per post en per fax zodanig in te richten dat óók ten aanzien van deze wijzen van indienen enerzijds in voldoende mate rekening wordt gehouden met de bij rechtszekerheid betrokken belangen van onder meer de wederpartij van de rechtzoekende, maar anderzijds de aan deze laatste ter beschikking staande termijnen niet worden verkort.”
2.7
Twee jaar later heeft de Nationale Ombudsman naar aanleiding van een klacht over de bereikbaarheid per fax van een kantongerecht het standpunt ingenomen dat van een overheidsinstantie mag worden verwacht dat zij voor derden goed bereikbaar is, dat dit met name geldt voor overheidsinstanties met veel publiekscontacten, zoals de griffies van de gerechten, en voorts dat het, nu de fax inmiddels als ingeburgerd mag worden beschouwd, het voor derden in beginsel mogelijk moet zijn om — ook — via de fax met de overheid te communiceren [13] .
2.8
Hoewel de fax heden ten dage al door velen niet meer wordt benut, gebruiken de gerechten, en ook het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dit communicatiemiddel nog steeds. Zo heeft het hof in de onderhavige zaak aan [eisers] per faxformulier van 11 december 2013 bericht dat de memorie van grieven op die dag per post ter griffie was ingekomen.
2.9
Met betrekking tot een per fax verstuurde memorie van grieven heeft de Hoge Raad in een Caribische zaak in 2004 [14] als volgt geoordeeld:
“Mitsdien moet in cassatie ervan veronderstellenderwijs worden uitgegaan dat (…) op 1 oktober 2001 per fax haar memorie van grieven bij de griffie van het gerecht in eerste aanleg heeft ingediend. Uitgangspunt bij de beoordeling van het middel moet voorts zijn dat deze wijze van indiening aanvaardbaar is, zoals door de Hoge Raad is uiteengezet in zijn beschikking van 16 februari 1996, nr. 15847, NJ, 1997, 55, en dat geen reden bestaat hierover met betrekking tot het Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse burgerlijk procesrecht anders te oordelen. Het hof had derhalve op deze fax acht moeten slaan, mits naleving van de Zegelverordening 1908 is gewaarborgd. Indien het hof dit heeft nagelaten omdat het van oordeel was dat een memorie van grieven niet per fax kan worden ingediend, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
2.1
De onder 2.5 en 2.6 genoemde jurisprudentie betreft de verzending per fax van het procesinleidend stuk in de verzoekschriftprocedure en zoals hiervoor onder 2.4 vermeld, bevatten de landelijke procesreglementen van de hoven ten aanzien van indiening per fax geen beperking als het gaat om het indienen van het beroepschrift en verweerschrift. Er geldt wel een verbod op het indienen per fax van andere processtukken.
De onder 2.9 geciteerde uitspraak betreft ook de verzoekschriftprocedure.
Uit de algemene formulering die de Hoge Raad kiest (“een redelijke, met de voortgang van de communicatietechniek rekening houdende en met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing” [15] en “naar hedendaagse opvattingen” [16] ) kan m.i. echter worden afgeleid dat de door de Hoge Raad aanvaarde mogelijkheid van indiening per fax ook geldt (i) voor andere stukken dan het procesinleidend stuk - hetgeen ook blijkt uit de onder 2.9 genoemde zaak - alsmede (ii) in dagvaardingszaken [17] .
2.11
Dat indiening van stukken per fax kan geschieden is vervolgens volmondig door de wetgever erkend. Bij de vernieuwing van het burgerlijk procesrecht per 1 januari 2002 is in titel 1 van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een derde afdeling gecreëerd waarin algemene voorschriften zijn opgenomen die voor alle civiele procedures en in alle instanties gelden. In het tot die afdeling behorende art. 33 werdPro het voorschrift opgenomen dat stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, als binnen de termijn ingediend gelden.
Art. 33 RvPro was een codificatie van de rechtspraak van de Hoge Raad over het tijdstip waarop een per fax ingediend stuk ter griffie moet zijn ingediend. In de memorie van toelichting werd als volgt naar die rechtspraak verwezen [18] :
“Uit wetsvoorstel 24 651 vloeide voort dat ook indiening per fax alleen gedurende openingstijden kan plaatsvinden. Bij arrest van 16 februari 1996, NJ 1997, 55, heeft de Hoge Raad echter beslist dat stukken naar hedendaagse opvattingen ook ter griffie kunnen worden ingediend door middel van faxapparatuur en(curs. W-vG) dat deze indiening ook na sluiting van de griffie kan plaatsvinden. (…) De Hoge Raad heeft nadien, bij arrest van 20 maart 1998, [NJ 1998, 548], bepaald dat wanneer het faxapparaat van een gerecht het tijdstip van ontvangst niet registreert, dat tijdstip ook op andere wijze, met behulp van een “confirmation report” van de verzender, kan komen vast te staan. (…).
Wij menen dat er inmiddels, uit oogpunt van rechtszekerheid, onvoldoende reden bestaat om de inmiddels reeds enige jaren geldende jurisprudentie van de Hoge Raad over indiening per fax ongedaan te maken.”
De wetgever las derhalve in de rechtspraak van de Hoge Raad dat stukken naar hedendaagse opvattingen ook ter griffie kunnen worden ingediend door middel van faxapparatuur en heeft deze rechtspraak vastgelegd in een algemeen voorschrift, dat dus ook in de dagvaardingsprocedure van toepassing is.
2.12
Daarvan uitgaande is vervolgens de vraag of het verbod in het procesreglement om in de dagvaardingsprocedure in hoger beroep bepaalde processtukken per fax in te dienen voldoende grondslag heeft in een wettelijke regeling [19] .
Voor het antwoord daarop is de betekenis van de eerste zin van art. 33 lid 1 RvPro van belang.
2.13
Art. 33 RvPro is door de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer [20] per 1 september 2008 gewijzigd. De bepaling luidt sindsdien, voor zover thans van belang, als volgt:
“1. Verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement.
(…)
3. Als tijdstip waarop een verzoek, mededeling of processtuk door een gerecht elektronisch is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het verzoek, mededeling en processtuk een systeem van gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het gerecht verantwoordelijkheid draagt. Verzendingen die voor 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend.”
2.14
Volgens de memorie van toelichting op deze bepaling is ook de verzending per fax een vorm van elektronisch verkeer:
“Ook de verzending per fax is een vorm van elektronisch verkeer. Tegenwoordig zijn er meer en meer mengvormen waarbij fax en computer met elkaar worden gecombineerd en kunnen faxdocumenten geheel papierloos worden verwerkt.” [21]
In de Nota naar aanleiding van het eindverslag [22] spreekt de minister over faxverkeer als deel van het elektronisch berichtenverkeer en “overig elektronisch berichtenverkeer”.
2.15
In verband met de onder 2.12 geformuleerde vraag is het dan de vraag of voor verzending per fax ook de beperking van de eerste zin van art. 33 RvPro kan worden aangebracht, te weten dat indiening van processtukken slechts mogelijk is indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement.
2.16
Tijdens de parlementaire behandeling is – op de enkele hiervoor onder 2.14 vermelde opmerking over faxdocumenten – uitsluitend het digitaal berichtenverkeer aan de orde geweest [23] . Hoofddoel van het wetsvoorstel was de afschaffing van het procuraat. Omdat als gevolg daarvan de griffies van de gerechten rechtstreeks met advocaten uit het gehele land te maken zouden krijgen en er door de griffies ook bepaalde werkzaamheden van de procureur zouden worden overgenomen waardoor een stijging van de werkbelasting werd verwacht, had de Raad voor de Rechtspraak de ontwikkeling van elektronisch berichtenverkeer ter hand genomen in het Project Landelijk Procederen. Dit project zag onder meer op de elektronische communicatie over rolberichten en de aanpassing van de werkwijzen van de “rolgriffies” [24] .
Volgens de toelichting betekent het via het roljournaal uitwisselen van rolberichten een snelle en eenvoudige wijze van communicatie tussen gerechten en advocatuur met betrekking tot de verwerking van deze berichten waardoor wordt tegemoetgekomen aan het wegvallen van de procureur als intermediair bij de rolbehandeling. Ook is het de bedoeling, aldus de memorie van toelichting [25] , om het op termijn mogelijk te maken [26] dat ook andere berichten, zoals processtukken, elektronisch worden verzonden. Om die reden is in het wetsvoorstel in het eerste lid van art. 33 RvPro een algemene bepaling opgenomen met betrekking tot het elektronisch verzenden van berichten.
De inhoud van het tot 1 september 2008 geldende art. 33 RvPro is opgenomen in het derde lid en veralgemeend tot elke elektronische ontvangst [27] .
2.17
Over de voorwaarde waaronder elektronische verzending aan een gerecht mogelijk is, wordt in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt [28] :
“Voorwaarde voor de mogelijkheid van elektronische verzending aan een gerecht is dat uit een procesreglement van de gerechten blijkt dat elektronische toezending aan en verzending door het gerecht mogelijk is. Op deze wijze is voldoende kenbaar voor partijen en hun raadslieden of zij op elektronische wijze stukken aan het gerecht kunnen verzenden. Door de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht is erop gewezen dat de mogelijkheid dat ieder gerecht voor zich aangeeft of berichten elektronisch kunnen worden verzonden de uniformiteit niet ten goede komt.
Aangegeven kan worden dat de faciliteiten voor het verzenden van elektronische berichten naar verwachting landelijk zullen worden gerealiseerd.
Het ligt dan ook voor de hand dat het Landelijk rolreglement voor de civiele rol bij de rechtbanken dat door de rechtbank als eigen reglement is vastgesteld informatie geeft over de mogelijkheid van elektronisch verzenden, evenals het uniforme Rolreglement Gerechtshoven voor het procederen in civiele zaken.”
2.18
Tegelijk met de invoering van de wet is het Besluit van 3 juli 2008, houdende regels aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het elektronisch verzenden van verzoeken en mededelingen met betrekking tot de rol [29] in werking getreden. In de Nota van Toelichting op dit besluit is over verzending van processtukken het volgende opgenomen:
“Het besluit ziet niet op de verzending van overige berichten, zoals processtukken. Deze stukken dienen vooralsnog op de gebruikelijke wijze aan een gerecht te worden doen toegekomen.” [30]
Ter gelegenheid van de nota naar aanleiding van het eindverslag van het wetsvoorstel afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer heeft de Minister van Justitie aangekondigd dat de eisen die aan het overige berichtenverkeer, waaronder de verzending van processtukken, worden gesteld, op een later tijdstip in een algemene maatregel van bestuur zullen worden opgenomen [31] .
2.19
Gelet op de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis van art. 33 RvPro meen ik dat de wetgever met de toevoeging aan de eerste zin van het eerste lid slechts voor ogen heeft gehad om de nieuwe weg van het digitaal indienen van processtukken (op termijn) open te stellen als de gerechten daarop zouden zijn toegerust, hetgeen zou blijken uit de reglementen. M.i. was niet beoogd om beperkingen aan te leggen op de in 2002 in de wet neergelegde mogelijkheid van indiening van stukken per fax [32] .
2.2
Het vorenstaande heeft naar mijn oordeel temeer en daarom in ieder geval te gelden voor de memorie van grieven vanwege het fatale karakter van het niet-dienen van grieven. Zonder grieven volgt niet-ontvankelijkheid en blijft een inhoudelijke behandeling van het geschil achterwege. De vraag of een memorie van grieven per fax mag worden ingediend, raakt dus de toegang tot de rechter (art. 6 EVRMPro). Zo Uw Raad van oordeel is dat er in een procesreglement beperkingen aan het per fax indienen van processtukken zouden mogen worden gesteld, zou dit m.i. niet moeten gelden voor de memorie van grieven. Als vereiste zou, in navolging van artikel 1.1.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, wel in het procesreglement van de civiele dagvaardingszaken bij de hoven kunnen worden opgenomen dat na indiening per fax de memorie van grieven per omgaande per post wordt nagezonden of aan de balie van de griffie van het gerecht wordt afgegeven. Dat is overigens in deze zaak gebeurd (zie hiervoor onder 2.8).
2.21
Ik ben me ervan bewust dat we met KEI aan de vooravond staan van de invoering van het digitaal procederen en dat daarna in hoger beroep indiening van processtukken zal plaatsvinden door middel van een elektronisch dossier “Mijn zaak” [33] .
Toch zullen tot die tijd m.i. de reglementen, waaronder het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en het Procesreglement voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dienen te worden aangepast en zal moeten worden opgenomen dat (ten minste) een memorie van grieven per fax kan worden ingediend.
2.22
Niet in geschil is dat de memorie van grieven in de onderhavige zaak op tijd per fax is ingekomen. Het hof heeft deze dan ook ten onrechte niet in behandeling genomen, zodat onderdeel 1 in zoverre slaagt. Daarmee kunnen de op dit oordeel voortbouwende oordelen evenmin in stand blijven.
Onderdeel 2 behoeft onder die omstandigheden geen behandeling meer.
2.23
Nu het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich nog niet inhoudelijk over de zaak heeft uitgelaten, kan deze m.i. na vernietiging van het bestreden arrest naar dit hof worden teruggewezen.
3.Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de rolbeslissing van 10 december 2013 en het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 29 april 2014 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.Gelet op de in cassatie voorliggende vraag laat ik vermelding van de door de rechtbank vastgestelde feiten achterwege. Zie daaromtrent het vonnis van de rechtbank Limburg van 3 juli 2013, rov. 2.1 t/m 2.16 en het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 29 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1210, rov. 3.1.1. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg voormeld vonnis onder 1 en voor het procesverloop in hoger beroep het bestreden arrest onder 2.
2.Zie de Wet herziening gerechtelijke kaart (Stb. 2012/313).
3.De vorderingen en beslissingen in reconventie zijn in hoger beroep niet bestreden, zie rov. 3.1.5 van het bestreden arrest.
4.De cassatiedagvaarding is op 24 juli 2014 uitgebracht.
5.Zie ook de cassatiedagvaarding onder 2.1.
6.In de eerste versie van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven uit 2008, Stcrt. 2008, nr. 148, p. 59 stond de regel nog niet. Versie II van mei 2009 van de Richtlijnen voor de toepassing van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven bepaalde in artikel 2.1.1 dat processtukken per post dienen te worden ingezonden of aan de centrale balie dienen te worden afgegeven en dat per fax ingediende processtukken
12.De Hoge Raad voegde daar nog aan toe dat het ontbreken van een zichtbare en met het ‘origineel’ overeenstemmende afdruk van de handtekening van de indiener op de ter griffie ingekomen fax een gebrek is dat zich leent voor herstel, zie: HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9716, NJ 2003/565, rov. 3.2; HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6209, NJ 2005/143, rov. 3.2 en HR 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2863, NJ 2006/7, rov. 3.2. Zie ook HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1614, RvdW 2007/126, rov. 3.2.
16.HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1392, NJ 1995/284, rov. 3.4. De formulering “naar hedendaagse opvattingen” is herhaald in HR 16 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1991, NJ 1997/55, rov. 3.4.1.
17.Zie bijv. het Procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie, zesde versie, december 2013, artikel 1.4. Volgens Sijmonsma, Hoofdstuk 7 De schriftelijke fase van de procedure na dagvaarding vóór vonnis: over conclusies, akten en produkties, in: Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes (red.), 2014, p. 156 verschilt het per rechtbank of indiening van processtukken per fax wordt toegestaan.
18.Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 184. Zie over indiening van stukken per e-mail p. 186.
21.Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 3, p. 13.
22.Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 7, p. 9.
23.Zie naast de in deze conclusie genoemde vindplaatsen o.a. Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 7, p. 3-4 en p.8 en de bij de memorie van toelichting gevoegde bijlagen.
24.Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 3, p. 4-5.
25.Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 3, p. 5 en 14. De Staatssecretaris van Justitie heeft in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer opgemerkt dat het de bedoeling is dat het elektronisch rolberichtenverkeer voor zowel de rechtbanken als de gerechtshoven gelijktijdig met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel functioneel zal zijn en dat het elektronisch verzenden van processtukken pas in een later stadium aan de orde zal zijn, zie Kamerstukken I, 2006- 2007, 30 815, C, p. 7. In die zin is het KEI-project en de daarmee samenhangende wetsvoorstellen een directe voortzetting van de in 2008 ingezette lijn.
26.Op p. 2-3 van de memorie van toelichting wordt over de strekking van het wetsvoorstel nog heel in het algemeen gezegd dat “Tevens in het kader van de ontwikkeling van het elektronisch berichtenverkeer in Rv een bepaling [wordt] voorgesteld met betrekking tot het elektronisch verzenden van verzoeken, mededelingen
27.Zie daarover Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 3, p. 16.
28.Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 3, p. 13.
29.Besluit van 3 juli 2008, Stb. 2008, 275.
30.Stb. 2008, 275, p. 3. Zo ook in de begeleidende brief van de Staatssecretaris van Justitie bij toezending van het besluit aan de Tweede Kamer (TK 2006-2007, 30 815, nr. 9).
31.Kamerstukken II, 2006-2007, 30 815, nr. 7, p. 4-5; zie ook de mededeling van de Staatssecretaris van Justitie in Kamerstukken I, 2006-2007, 30 815, C, p. 2-3.
32.Anders Nauta (T&C Burgerlijke Rechtsvordering), art. 799 RvPro, aant. 3 onder b en wellicht ook J.R. Sijmonsma, a.w., p. 156.