ECLI:NL:HR:2007:AZ1614

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R05/093HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a RvArt. 341 lid 7 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-ondertekend faxverzoek en overschrijding termijn

Verzoekers hadden bij de rechtbank Utrecht een schuldsaneringsregeling opgelegd gekregen die later op verzoek van de bewindvoerder werd beëindigd. Tegen deze beëindiging stelde verzoekers hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat de vonnissen bekrachtigde. Verzoekers stelden daarna beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Het cassatieberoep werd per fax aangekondigd door een advocaat die niet bevoegd was om bij de Hoge Raad op te treden en het faxbericht was niet ondertekend. Het verzoekschrift dat door de juiste advocaat werd ingediend, kwam na het verstrijken van de cassatietermijn binnen en er werd geen beroep gedaan op bijzondere omstandigheden die de overschrijding konden rechtvaardigen.

De Hoge Raad oordeelde daarom dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep en verklaarde het beroep ongegrond. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2007.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep wegens niet-ondertekend faxverzoek en overschrijding van de cassatietermijn zonder bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

26 januari 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/093HR
MK/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1.[Verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnissen van 1 april 2003 heeft de rechtbank te Utrecht ten aanzien van verzoekers tot cassatie - verder te noemen: [verzoekers] - de definitieve schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.
Bij vonnissen van 27 december 2004 is op verzoek van de bewindvoerder de toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank beëindigd. Tegen deze vonnissen hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 5 juli 2005 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De advocaat van verzoekers heeft bij brief van 15 november 2006 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Tegen de op 5 juli 2005 ter openbare terechtzitting door het hof gedane uitspraak, waarbij ten aanzien van [verzoekers] de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd, stond ingevolge art. 341 lid Pro 7 F. gedurende acht dagen na de dag van die uitspraak beroep in cassatie open. De cassatietermijn verstreek dus op 13 juli 2005. Bij faxbrief van 13 juli 2005 heeft mr. T.P. Schut, advocaat te Utrecht, bericht dat [verzoekers] cassatie wensten in te stellen tegen het arrest van het hof van 5 juli 2005 met het verzoek om in een later stadium de middelen en gronden tot cassatie te laten aanvullen door mr. J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage. Bij faxbrief van 14 juli 2005 heeft mr. Schut een niet ondertekend verzoekschrift tot cassatie inhoudende middelen van de hand van mr. Groen ingediend bij de griffie van de Hoge Raad. Nadien is nog een door mr. Groen ondertekend exemplaar van het verzoekschrift ontvangen.
3.2 De op 13 juli 2005 per faxpost ingekomen brief van mr. Schut voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv. omdat de brief niet is ingediend noch is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Het vervolgens door mr. Groen ingediende verzoekschrift is niet binnen de cassatietermijn ingekomen en doet geen beroep op bijzondere omstandigheden die overschrijding van de cassatietermijn zouden kunnen rechtvaardigen. Dit brengt mee dat verzoekers in hun cassatieberoep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.