Conclusie
[verweerster],
primairop het standpunt dat [betrokkene 1] de overeenkomst waarbij zij de tandartsapparatuur en inventaris bestelde, zowel met [betrokkene 2] als met [verweerster] heeft gesloten. Nu [betrokkene 2] en [verweerster] aldus beiden toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van die overeenkomst, heeft [betrokkene 1] niet alleen jegens [betrokkene 2] maar ook tegenover [verweerster] recht op terugbetaling van de door [betrokkene 1] ter uitvoering van de overeenkomst betaalde bedragen.
Subsidiair, voor het geval zou worden geoordeeld dat [betrokkene 1] niet met [verweerster] een overeenkomst heeft gesloten, stelt de curator zich op het standpunt dat [betrokkene 1] het bedrag van € 180.240,- onverschuldigd aan [verweerster] heeft betaald op haar bankrekening bij de SNS Bank.
Meer subsidiairgrondt de curator zijn vordering op ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad van [verweerster] jegens [betrokkene 1].
onder a, geldt het volgende. Stelling (i) wordt door het hof verworpen in rov. 6 (zevende volzin). Het hof verwijst in dat verband mede naar zijn vaststelling in rov. 2 dat [betrokkene 2] handelde in tandartsapparatuur en –meubilair onder de naam [B].
onder b, geldt het volgende. De klacht wijst in de eerste plaats op stellingen van de curator die het hof met zoveel woorden heeft genoemd in rov. 6 en onvoldoende heeft geacht. Voorts wijst de klacht op de door het hof verworpen stelling dat [B] door [verweerster] en [betrokkene 2] gezamenlijk werd gedreven, welk oordeel door het subonderdeel vergeefs wordt bestreden. Ten slotte wijst de klacht op de achtergrond dat de betalingen op de rekening van [verweerster] werden ontvangen. Ook dat gegeven is door het hof in rov. 6 vermeld.
onder afaalt daarom. De klachten
onder ben
onder cen gaan uit van een onjuiste lezing van het arrest en gaan daarom niet op. Subonderdeel 1.2 kan niet tot cassatie leiden.
onderdeel 2.1 en onder a).
onderdeel 2.1 en onder a slot).
onderdeel 2.1 en onder b).
onder c).
tevenseen voldoening van de door haar aan [betrokkene 2] verschuldigde prestatie(s) inhoudt en daarom niet onverschuldigd is. Vgl. de s.t. nrs. 14 en 16. Daarin wordt op zichzelf terecht tot uitgangspunt genomen dat het objectieve begrip betaling’ in de zin van art. 6:203 BW Pro niet hetzelfde als nakoming is. Maar de s.t. lijkt tevens te veronderstellen dat er dus niet (tevens) sprake kan zijn van nakoming als door het hof bedoeld, en dat er daarom sprake moet zijn van een situatie (zoals door het middel aangeduid) waarin de ‘betaling’ aan de derde desalniettemin jegens de schuldeiser bevrijdend is.
subonderdelen 2.3 en 2.4veronderstellen, is het hof niet ervan uitgegaan dat in [verweerster]’s beroep op de betalingsafspraak het verweer ligt besloten dat zij de betalingen namens [betrokkene 2] in ontvangst nam. Het hof kon, ook zonder een dergelijke vaststelling, in de omstandigheden van dit geval oordelen dat de betaling door [betrokkene 1] op de rekening van [verweerster] tevens een voldoening van de door haar aan [betrokkene 2] verschuldigde prestatie(s) inhield en daarom niet onverschuldigd was.
subonderdelen 2.5 en 2.6bevatten louter voortbouwende klachten en dienen daarom ook te falen.