Conclusie
alternatievedubbele verwijzing is (òf, òf), maar
cumulatievedubbele verwijzing (èn, èn), waarna het hof beide sets voorwaarden van toepassing achtte op het contract en vervolgens met Haviltex in de hand tot de bevinding kwam dat wilsovereenstemming was bereikt over arbitrage. Hoewel langs verschillende wegen, vonden rechtbank en hof dat in deze zaak meer gewicht toekomt aan de verwijzing naar de branchevoorwaarden, dan aan die naar [verweerster]’ eigen voorwaarden.
2.Juridisch kader
alternatievedubbele verwijzing in één frase aan de orde: “set A of set B” is van toepassing. Daarover is dit uitgemaakt:
richtingwijzerontbreekt, wanneer zij eenmaal is overeengekomen, niet tot bepaalbare rechtsgevolgen leidt. In geval van een ‘koersloze’ clausule zal dus, conform ’s Raads overweging, geen van beide stellen voorwaarden deel van de overeenkomst (kunnen) uitmaken. Aldus bezien bevindt de materie zich op het snijvlak van de contractsuitleg (absolute onbegrijpelijkheid) en het -op een onderdeel van de overeenkomst betrokken- bepaalbaarheidsvereiste (art. 1356 sub Pro 3 (oud), art. 6:227).
zelf, tegelijk met de alternatieve verwijzing, enigerlei systeem moeten presenteren om uit te maken welke set voorwaarden in het bewuste geval van toepassing is. (…)”
in finenaar verwijst en waarin het cassatieberoep is afgedaan op grond van art. 81 RO Pro, speelt een geval van niet overeenstemmende exoneratiebedingen: art. 11 van Pro het servicecontract van Monarch en art. XVIII van haar algemene voorwaarden. Volgens het hof in die zaak was art. 11, hoewel dat in het servicecontract zelf voorkwam, ook een algemene voorwaarde (de rechtbank had dat nog anders gezien), maar was geen sprake van een Visser/Avéro-geval. Het hof heeft volgens de Haviltex-maatstaf onderzocht welke exoneratie gold en kwam daarbij tot art. 11 van Pro het servicecontract: je kan in de overeenkomst zelf afwijken van van toepassing verklaarde algemene voorwaarden en dan gaat in beginsel de contractsbepaling voor. Dat is niet anders als de contractsbepaling ook als algemene voorwaarde moet worden gezien. Bij de keuze voor één van de bepalingen is meegewogen dat, indien één van de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden heeft te gelden als een “specifieke” regeling (kennelijk bedoeld in afwijking van de “algemene” algemene voorwaarden), in beginsel die specifieke regel zal prevaleren. De eerste cassatieklacht was dat het voorrangsgezichtspunt niet kan gelden bij tegenstrijdige algemene voorwaarden. A-G Wissink legt uit dat art. 11 volgens Pro het bestemmingscriterium van art. 6: 231 sub a BW wel als algemene voorwaarde heeft te gelden, maar dat het erom gaat dat deze bepaling in het servicecontract zelf was opgenomen, en art. XVIII in de algemene voorwaarden waarnaar het servicecontract verwees, zodat de bepalingen “zich op een ander manier aandienden”, met als gevolg dat in de optiek van partijen de inhoud van het servicecontract zwaarder kon wegen. Ik merk op dat in cassatie het oordeel dat geen sprake was van een Visser/Avéro-situatie
nietbestreden was, evenmin als het bestaan van het gezichtspunt dat in beginsel de specifieke regeling in het contract zal prevaleren. Aan de orde was de vraag of dat ook gold als beide bepalingen als algemene voorwaarden hebben te gelden. Ja, zo oordeelden hof en A-G en Uw Raad wees de klachten als gezegd af met toepassing van art. 81 RO Pro.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1staat in subonderdeel 1.1 en wordt nader uitgewerkt in de subonderdelen 1.4-1.6 [15] . Het hof heeft miskend en/of onvoldoende (toereikend/begrijpelijk) gemotiveerd dat de regel uit het Visser/Avéro-arrest in dit geval ook van toepassing is, want er doet zich wel degelijk een situatie voor waarin niet is aangegeven welke set van de beide van toepassing verklaarde sets ook daadwerkelijk van toepassing is (subonderdeel 1.4). Daar doet niet aan af dat één van de verwijzingen in grotere letters en hoger op het door [verweerster] opgestelde contractsformulier was geplaatst, terwijl de dubbelverwijzing in Visser/Avéro in één volzin op de achterkant van de facturen stond, en evenmin doet daaraan (zonder meer) af dat beide sets tegelijk, maar onafhankelijk van elkaar van toepassing zijn verklaard, terwijl in Visser/Avéro sprake was van alternativiteit door het woordje “of” (subonderdeel 1.5). Subonderdeel 1.6 noemt een zestal factoren die ForFarmers c.s. daarbij in feitelijke instanties hebben aangevoerd en die door het hof niet zouden zijn verworpen:
alternatievemeervoudige verwijzing, maar ook, rechtstreeks of bij wijze van analogie, bij
cumulatieve. Ik laat de situatie dat de sets waar naar wordt verwezen overeenstemmen, althans op het springende punt niet onderling onverenigbaar zijn, hier buiten beschouwing; dat doet zich in deze zaak niet voor en zal niet snel leiden tot rechtspraak. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de Visser/Avéro-regel alleen geldt bij alternativiteit, dus als de bedoeling was dat één van de twee sets gekozen diende te worden (“A of B”), maar dat in het concrete geval niet is gedaan. Dat is gelet op de casus in Visser/Avéro niet vreemd, dat betrof één alternatieve verwijzing en die alternativiteit is ook benadrukt door Hijma, Haak/Zwitser en Loos in hun analyses van de uitspraak, zoals we hiervoor zagen. In die situatie is onzeker en kan niet bepaald worden welke set voorwaarden van toepassing is en dan gelden er helemaal geen voorwaarden.
ofB” van toepassing verklaard (zie rov. 3.4 “beide in één verwijzing”), dus kennelijk met de bedoeling er telkens één van toepassing te laten zijn, zonder nadere (voor de wederpartij begrijpelijke en niet onredelijke bezwarende) “richtingwijzer” waaruit kon blijken welke set in dat geval daadwerkelijk van toepassing is. In onze zaak zijn de sets voorwaarden allebei, of zo men wil: ieder voor zich, van toepassing verklaard en aanvaard volgens het hof. Dan doet zich geen onduidelijkheid/onbepaalbaarheid uit Visser/Avéro voor over welke set nu geldt. Gelding van twee sets algemene voorwaarden is op zichzelf rechtens niet onmogelijk. Zo beschouwd is dus, anders dan onderdeel 1.5 aanvoert, wel van belang of de twee sets voorwaarden tegelijkertijd, maar onafhankelijk van elkaar toepasselijk zijn verklaard (onze situatie), tegenover het geval van pure alternativiteit uit Visser/Avéro. Ik wees al op dit verschil in de inleiding: in onze zaak lijkt geen sprake van “één verwijzing” in de zin van rov. 3.4 van Visser/Avéro, maar van een “getrapte”: in het contractsformulier zelf achter de “contractsvoorwaarden” naar de branchevoorwaarden, ingevuld door [verweerster], dus als het ware “specifiek” en een trap lager “algemeen” bij wege van imprimé onderop het “briefpapier” naar [verweerster]’ eigen voorwaarden. ForFarmers c.s. maken daar bij s.t. in bijvoorbeeld 2.11 en 2.17 van dat het om “één verwijzing” gaat, omdat naar beide sets wordt verwezen “in één document”, maar dat lijkt mij wel een oprekking van wat is overwogen in Visser/Avéro.
“richtingwijzer” in dit geval, namelijk richting de CNGD. In de woorden van [verweerster]’ s.t. 26: bij de beantwoording van de vraag welke set voorrang heeft, beoordeelt het hof dan in wezen of op een voor ForFarmers begrijpelijke en niet onredelijk bezwarende wijze is aangegeven of nader is geregeld welke van die bepalingen van toepassing is. Dat geschiedt door contractsuitleg. Nog weer anders gezegd: Zelfs als de Visser/Avéro-regel hier geldt, dan is hier wèl op begrijpelijke en niet bezwarende wijze aangegeven dat de CNGD voorwaarden prevaleren door de in de motivering van het hof gewogen omstandigheden. ForFamers c.s. bestrijden dat dat zo kon, maar ik acht dat niet overtuigend. Dan blijft de uitkomst dat de rechtbank onbevoegd is, zodat in zoverre geen belang bestaat bij cassatie in die variant.
subonderdeel 2.2dat rov. 7 en 8 in strijd komen met art. 24 Rv Pro, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing opleveren, omdat [verweerster] haar onbevoegdheidsexceptie alleen op de exclusieve toepasselijheidsverklaring van de CNGD voorwaarden zou hebben gebaseerd en ForFarmers c.s. hun verweer alleen op de Visser/Avéro-regel. Dat mist feitelijke grondslag. [verweerster] voert terecht aan (s.t. 38 en dupliek in cassatie 10) dat ForFarmers c.s. zelf hebben aangevoerd dat beide sets voorwaarden van toepassing zijn verklaard [21] en dat [verweerster] bij herhaling is ingegaan op de mogelijkheid dat beide sets van toepassing waren en hoe de verhouding tussen die twee dan was. In de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid is dat zo aangedragen (in 6.8):
subonderdeel 2.3dat het oordeel in rov. 8 dat “in ieder geval” de geschillenregeling van de CNGD van toepassing zou zijn, althans prevaleerde boven de algemene voorwaarden van [verweerster], onjuist, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Als je al mag Haviltexen hier, dan is dat fout gedaan door het hof volgens deze klacht. Dit omdat het hof zijn toepassing daarvan niet heeft gebaseerd op enige door partijen jegens elkaar afgelegde verklaring of gedraging met betrekking tot de onderlinge verhouding tussen art. 45 CNGD Pro en art. 14 van Pro [verweerster]’ algemene voorwaarden. Vooropgesteld moet worden dat bij de toepassing van de Haviltex-norm alle relevante omstandigheden van het concrete geval een rol kunnen spelen en dat de feitenrechter de nodige vrijheid heeft om deze (grotendeels feitelijke) afweging te maken [22] . Het hof heeft als gedraging gezien het specifiek in het koopcontract invullen van de CNGD als toepasselijke “contract conditions”, in plaats van de voorgedrukte toepasselijkverklaring van [verweerster]’ eigen algemene voorwaarden. Dit is door [verweerster] ook aangevoerd (MvA 11 en 15). De uitleg van het hof van deze processtukken acht ik niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.