Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel dat de volledige winst van het bedrijf [A] over de jaren 2002 tot en met 2007 als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeelDe veroordeelde is bij arrest van dit hof van 20 september 2013 (parketnummer 24-000945-10) terzake van “Van het plegen van witwassen een gewoonte maken”’ veroordeeld tot straf.
het relaas van verbalisant:
[betrokkene]:
[betrokkene]:
[medebetrokkene]:
tweede middelbehelst een klacht over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Nu op 1 oktober 2013 beroep in cassatie is ingesteld en de stukken op 20 juni 2014 ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de inzendtermijn overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Nu het cassatieberoep in de hoofdzaak gelijktijdig wordt behandeld, kan de compensatie worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.