Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof had geoordeeld dat de volledige winst van het bedrijf [A] over de jaren 2002 tot en met 2007 als wederrechtelijk verkregen voordeel kon worden aangemerkt. Het hof baseerde dit oordeel op het bewezenverklaarde feit van gewoontewitwassen en andere strafbare feiten, en schatte het voordeel op € 143.586,- voor de betrokkene.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de volledige winst als wederrechtelijk verkregen voordeel beschouwde zonder nadere motivering. Volgens de Hoge Raad is het niet vanzelfsprekend dat de volledige winst uit gewoontewitwassen als wederrechtelijk verkregen voordeel geldt. Ook het oordeel dat de betrokkene voordeel uit andere strafbare feiten had verkregen, was onvoldoende gemotiveerd.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening. De zaak betrof een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de betrokkene was veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.