Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
i.e.de periode waarop de aanslag vennootschapsbelasting ziet.
zowelde tijdspanne 2009(1) als het jaar 2008 (de som van die twee). Met ‘het voorafgaande jaar’ is mijns inziens slechts één van die twee perioden (‘jaren’) bedoeld; ik meen dus met het Hof dat de tekst en het wettelijke systeem tot de conclusie leiden dat met ‘het voorafgaande jaar’ is bedoeld het jongst afgesloten ‘jaar’,
i.e.de tijdspanne 2009(1)).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
als moedermaatschappij van de eenheidis die een verlies drie jaren wenst terug te wentelen. Nu zij het niet is die in 2009 tussentijds haar boekjaar ex art. 7(4)(2e volzin) Wet Vpb heeft afgesloten, kan zij,
als moedermaatschappij van de eenheid, op basis van een grammaticale interpretatie van de wet haar verlies 2009 óók verrekenen met winsten behaald in 2006, zij het met inachtneming van de winstsplitsingsregels ex art. 15ae Wet Vpb. Art. 15(7) Wet Vpb, waarvan de Staatssecretaris de wetsgeschiedenis aanhaalt, is volgens de belanghebbende nu juist een aanwijzing dat het lopende boekjaar van een te voegen dochter niet wordt afgesloten. Art. 15(7) Wet Vpb bepaalt immers dat geen fiscale eenheid tot stand komt als een dochter
in de loop van haar boekjaargevoegd wordt en de fiscale eenheid ten aanzien van die dochter nog
in hetzelfde boekjaareindigt. Kennelijk loopt het boekjaar dus door tijdens de fiscale eenheid, aldus de belanghebbende.
4.Wie is ‘de belanghebbende’?
nietde moeder van de fiscale eenheid. In die perioden was eerst (tot 22 december 2009) [D] BV de moeder en daarna [X] BV. Mogelijk gaat de belanghebbende ervan uit dat die twee vennootschappen in de desbetreffende perioden als ‘de belanghebbende’ moeten worden aangemerkt, en niet [A] BV. Die redenering is ook te vinden in het redactionele commentaar in FutD 2014/0270 bij de uitspraak van de Rechtbank:
moedermaatschappijvan FE2 respectievelijk FE3 werd bedoeld (in plaats van de moeder van FE1), dan zou het hele geschil op spraakverwarring kunnen berusten: de
moedermaatschappijenvan FE2 respectievelijk FE3 hebben in 2009 niet twee ‘(vennootschapsbelasting)jaren’ doorgemaakt.
ikdus de moedermaatschappij van FE1, [A] BV,
i.e.de vennootschap wier aanslagen verminderd zouden moeten worden op basis van de litigieuze verliesverrekeningsbeschikkingen en op wier naam zowel de verliesverrekeningsbeschikkingen als de uitspraken op bezwaar staan.
5.Verrekening van fiscale-eenheidsverliezen met voorvoegingswinsten
fiscale‘jaar’ voor als de dochter in de loop van het
vennootschapsrechtelijke‘boekjaar’ van de dochter wordt gevoegd, zo maak ik ook uit de toelichting op het BFE 2003 op: [15]
nietbedoeld: (i) het vennootschapsrechtelijke ‘boekjaar’, (ii) het kalenderjaar, of (iii) de tijdspanne waarin de aarde om de zon draait. Ik meen, gezien het bovenstaande, dat met ‘jaar’ in art. 20(2) Wet Vpb wordt bedoeld de tijdspanne waarover bij aanslag vennootschapsbelasting wordt geheven over het belastbare bedrag zoals gedefinieerd in art. 7(4), dus het ‘jaar’ ex art. 7(4) Wet Vpb.
6.Analyse
kalenderjaren.
‘jaar’ex art. 7(4) Wet Vpb, i.e. de tijdspanne waarover wordt geheven, kan ook korter zijn dan 365 (of 366) dagen, bijvoorbeeld door (incidenteel) een korter vennootschapsrechtelijk boekjaar. Het kan dus voorkomen dat verlies verrekend wordt met winst over een tijdspanne die niet gelijk is aan 365/366 dagen. De hoofdregel is dat terugwenteling wordt beperkt tot één c.q. drie voorgaande
heffingsperiodes (‘jaren’). Het korte ‘jaar’ (de korte heffingsperiode) in art. 7(4)(2e volzin) Wet Vpb is dus geenszins een inbreuk op of beperking van die hoofdterugwentelregel. Dat de absolute terugwenteltermijn door art. 7(4)(2e volzin) Wet Vpb korter wordt dan één c.q. drie kalenderjaren c.q. tijdspannen van 365/366 dagen is een inherent gevolg van de keuze voor een voegingstijdstip dat niet op de grens van een regulier heffingsjaar ligt.
Voor de toepassing van art. 20, tweede lid, vindt:", hetgeen lijkt mee te brengen dat de formele inhoud die het begrip verlies in art. 20, lid 2, Wet VPB heeft eveneens moet worden toegekend aan het begrip verlies in art. 15ae, lid 1, onderdeel a, Wet VPB. (…). Op grond van het voorgaande dient naar mijn mening bij de uitleg van art. 15ae, lid 1, onderdeel a, Wet VPB te worden gekozen voor een formeel verliesbegrip. Dit heeft tot gevolg dat de verliezen die een dochtermaatschappij in het jaar van voeging vóór het voegingstijdstip leidt wel onder de verrekeningsbeperking van art. 15ae, lid 1, onderdeel a, Wet VPB vallen omdat het boekjaar van de dochter vóór het voegingstijdstip eindigt (art. 7, lid 4, Wet VPB, jo. art. 6, lid 3, Besluit fiscale eenheid 2003), terwijl de negatieve resultaten die een moedermaatschappij in het jaar van voeging vóór het voegingstijdstip behaalt niet onder de verrekeningsbeperking van art. 15ae, lid 1, onderdeel a, Wet VPB vallen omdat het boekjaar van de moeder niet eindigt in verband met de voeging.”
7.Beoordeling van het middel
carry back) navoegingsverliezen niet kunnen worden verrekend met de winst van het voorgaande boekjaar, maar uitsluitend met winst van het voorvoegingsdeel van het voegingsboekjaar. In zoverre is voeging in de loop van het boekjaar inderdaad nadeliger dan niet-voegen of voeging op een boekjaargrens. Daar staat tegenover dat die navoegingsverliezen kunnen worden gesaldeerd met winsten van andere gevoegden. De maatschappijen die voeging verzoeken, zullen van tevoren moeten rekenen. De nadelige gevolgen kunnen, indien niet onder ogen gezien, als onredelijk aankomen (de belanghebbende spreekt van ‘afstraffen’), maar
dura lex sed lex(art. 11 Wet Pro algemene bepalingen: ‘De regter (…) mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen”).