De zaak betreft het hoger beroep van de Inspecteur tegen de rechtbank Gelderland inzake verliesverrekeningsbeschikkingen vennootschapsbelasting voor de jaren 2006, 2007 en 2008. Belanghebbende, een vennootschap die meerdere malen is opgenomen in opvolgende fiscale eenheden, betwist de wijze waarop de Inspecteur de verliezen heeft verrekend.
De kern van het geschil draait om de uitleg van het begrip 'jaar' in de Wet Vpb, met name of de voorvoegingsperiode van 1 januari tot en met 21 april 2009 als een afzonderlijk boekjaar moet worden beschouwd voor de toepassing van de achterwaartse verliesverrekening. De Inspecteur stelt dit, terwijl belanghebbende dit betwist en een ruimere verliesverrekening wenst.
Het hof volgt de Inspecteur en baseert zich op artikel 7, vierde lid, Wet Vpb, waarin wordt bepaald dat een gedeelte van een boekjaar waarin een belastingplichtige geen deel uitmaakt van een fiscale eenheid als een afzonderlijk jaar wordt aangemerkt. Het hof verwierp de uitleg van de rechtbank en concludeert dat de verliezen die na 21 april 2009 zijn geleden, pas kunnen worden verrekend met de belastbare winst vanaf 2007.
De uitspraak bevestigt dat de beperking in de achterwaartse verliesverrekening inherent is aan het fiscale eenheidsregime en dat de wetssystematiek en grammaticale uitleg van de wet dit ondersteunen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen de verliesverrekeningsbeschikkingen ongegrond verklaard.