Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
Onder 1.2stelt [eiser] dat hij in hoger beroep had aangegeven dat hij niet wil worden ‘opgehangen’ aan de door hem verzonden brief van 23 september 2004 indien deze op zichzelf wordt beschouwd.
Onder 1.3verbindt hij hieraan de klacht dat het hof miskent dat het aan de appellant is om de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep te bepalen. [eiser] had in de procedure bij het hof gesteld dat zijn brief niet was ingericht of bestemd om civielrechtelijke aansprakelijkheid te erkennen of te aanvaarden. Uitlatingen van een niet juridisch onderlegd persoon over juridische kwalificaties nopen volgens
onderdeel 1.4ertoe, de betrokkene tegen zichzelf te beschermen.
onderdelen 1.5 – 1.7bestreden oordeel, dat het niet nodig was, bij de uitspraak van de ABRvS van 10 november 2004 ook de annotaties onder de vaststaande feiten te vermelden, is rechtens juist en niet onbegrijpelijk. Voor zover [eiser] bedoelt dat het hof had moeten ingaan op de argumenten die hij in hoger beroep aan deze annotaties wilde ontlenen, miskent de klacht dat het hof in rov. 3.12 daarop is ingegaan. Middel I faalt.
onder 2.2 en 2.3heeft het Hoogheemraadschap [eiser] bij brief van 19 oktober 2004 meegedeeld dat het zich zo mogelijk zal voegen in het strafproces ter zake van overtreding van het bepaalde art. 225 WvSr Pro (valsheid in geschrift), waarvan de dijkgraaf aangifte had gedaan. Volgens [eiser] heeft het Hoogheemraadschap daarmee de weg naar de burgerlijke rechter afgesloten. Deze, in
onderdeel 2.4als ‘publiekrechtelijk’ aangeduide, route sluit volgens de klacht immers het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter uit. Onder verwijzing naar die ‘publiekrechtelijke regeling’ heeft het hof volgens
onderdeel 2.5rechtens onjuist, althans op onbegrijpelijke gronden, overwogen dat van een dergelijke publiekrechtelijke regeling geen sprake is. De klachten onder 2 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
zo mogelijkzal voegen in het strafproces [11] . Wanneer het niet tot een strafprocedure komt ter zake van de onderhavige feiten, verhindert deze mededeling niet dat het Hoogheemraadschap zich tot de burgerlijke rechter wendt. Middel 2 faalt.
condicio sine qua non-verband. In rov. 3.11 – 3.13 gaat het om de vraag of de door het Hoogheemraadschap gestelde schade (de kosten van het houden van nieuwe verkiezingen) aan [eiser] kan worden toegerekend als een gevolg van diens onrechtmatig handelen. Dit zijn drie van elkaar te onderscheiden vragen. In middel III lopen deze drie kwesties enigszins door elkaar.
Onder 3.2voert het middel samengevat aan dat in deze bepaling niet het belang van eerlijke verkiezingen is vervat, nu de verkiezingen eerst hebben plaatsgevonden nadat een deugdelijke kandidaatstelling heeft plaatsgevonden. De kandidaatstelling van [eiser] is op 2 juni 2004 goedgekeurd door het stembureau, tegen welke beslissing geen rechtsmiddel is ingesteld. Eerst daarna is [eiser] gekozen tot lid van het Algemeen Bestuur van het Hoogheemraadschap. De ABRvS heeft volgens
onderdeel 3.3enkel uit het oogpunt van ‘betrouwbare’ verkiezingen – niet: ‘eerlijke’ verkiezingen, zoals het hof in rov. 3.9 overweegt – aanleiding gevonden om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat (voor de categorie ‘gebouwd’ in het Hoogheemraadschap) nieuwe verkiezingen zullen worden gehouden. De toelichting op de klacht vermeldt dat een rechtsbasis daarvoor ontbreekt, onder verwijzing naar Stolks annotatie onder meergenoemde uitspraak van de ABRvS. Het argument van ‘betrouwbare’ verkiezingen geldt voor álle verkiezingen, aldus de toelichting
onder 3.4.
Onderdeel 3.5behelst het betoog dat na de goedkeuring van de kandidaatstelling door het stembureau, [eiser] niet aansprakelijk kan worden gesteld of gehouden voor de beslissing (van de ABRvS) dat nieuwe verkiezingen moesten worden gehouden. De nieuwe verkiezing staat volgens [eiser] los van de daaraan voorafgegane, niet aangetaste kandidaatstelling. De ABRvS verwees ook naar art. 61 Kiesreglement Pro, dat bij niet toelating van één of meer leden wegens ongeldigheid van de stemming er een nieuwe verkiezing dient plaats te vinden, waarbij de uitslag opnieuw moet worden vastgesteld. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte art. 16 Kiesreglement Pro in zijn oordeel betrokken, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk. In
onderdeel 3.6wordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de opgave van [eiser] vals was en dat [eiser] zich ervan bewust was dat hij art. 16 Kiesreglement Pro heeft overtreden. Volgens de toelichting is slechts sprake van intellectuele valsheid in geschrifte, niet van materiële valsheid: achteraf hebben de personen wier handtekening door [eiser] was overgeschreven onverkort verklaard hun steun aan [eiser] te handhaven, zodat ‘valsheid’ en ‘bewustheid van overtreding van art. 16 Kiesreglement Pro’ zijn uitgesloten; tot zover de klachten.
onderdelen 3.2 -3.6zijn vergeefs voorgesteld.
condicio-sine-qua-non-verband kan volgens
onderdeel 3.7niet worden aanvaard. Volgens [eiser] is van een dergelijk verband slechts sprake indien het schadeveroorzakende feit als directe oorzaak tot de ontstane schade heeft geleid of kan leiden: daarvan is hier geen sprake, omdat [eiser] de herverkiezingen niet heeft uitgelokt.
condicio-sine-qua-non-verband aangenomen op de grond dat de frauduleuze handelingen van [eiser] hebben geleid tot de gehouden herverkiezing, met de daarbij behorende kosten tot gevolg. [eiser] was bewust van het ontoelaatbare van zijn handelen en had erop bedacht dienen te zijn dat het Hoogheemraadschap geconfronteerd met zijn handelen hem zou trachten te weren uit het algemeen bestuur dan wel maatregelen zou treffen om alsnog eerlijke/betrouwbare verkiezingen te houden. De (gedeeltelijke) herverkiezing is dus het gevolg van de door [eiser] overgeschreven handtekeningen en aan hem toe te rekenen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard [14] . Daardoor moet ook
onderdeel 3.7stranden.
onderdeel 3.8blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 6:98 BW Pro, omdat voor [eiser] niet voorzienbaar was dat het Hoogheemraadschap zou besluiten opnieuw verkiezingen uit te schrijven.
Onderdeel 3.9voegt hieraan toe dat de weigering van toelating als lid van het algemeen bestuur, gelet op de door de ABRvS uitgesproken vernietiging van dat besluit, maakt dat het Hoogheemraadschap onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Door zelf in de zaak te voorzien heeft de ABRvS de voor [eiser] niet voorzienbare situatie in het leven geroepen dat het besluit om nieuwe verkiezingen uit te schrijven kon worden gebillijkt, hoewel de Kieswet en de betrokken uitvoeringsregelingen daarin niet voorzien. Die uiteindelijk gehouden herverkiezingen zijn volgens de klacht daarom niet aan te merken als een aan [eiser] toerekenbaar gevolg van de beweerde door hem gepleegde verkiezingsfraude.
onderdeel 3.10besluit [eiser] met de klacht dat het hof in rov. 3.12 heeft miskend dat de omstandigheid dat de ABRvS niet kon of mocht oordelen tot het doen uitschrijven van nieuwe verkiezingen meebrengt dat [eiser] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de uit die beslissing voortvloeiende feitelijke gevolgen en rechtsgevolgen.
onderdelen 4.1 - 4.3bouwen uitsluitend voort op de voorgaande middelen. Zij behoeven geen bespreking indien de voorgaande klachten falen.
onderdeel 5.1, klaagt
onderdeel 5.2dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de Afdeling Bestuursrechtspraak niet kon of mocht oordelen als zij heeft gedaan met betrekking tot de noodzakelijk geachte nieuwe verkiezingen en dat de privaatrechtelijke grondslag voor dit kostenverhaal dus ondeugdelijk is. Volgens
onderdeel 5.3had het hof zowel de gestelde onrechtmatige rechtspraak, als het verweer van een ondeugdelijke privaatrechtelijke grondslag voor het kostenverhaal moeten onderzoeken. Het oordeel van het hof geeft volgens de
onderdelen 5.4 - 5.5blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in het gestelde “sub IV” in de memorie van grieven [de aanvulling c.q. vermeerdering van eis, noot A-G] een nieuwe, zelfstandige grondslag door [eiser] was aangevoerd. Volgens de klacht heeft het hof deze grondslag niet onderkend en beoordeeld, althans is het bestreden oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.