Conclusie
onderdeel 1heeft het hof dit niet behoorlijk onderzocht. Volgens het slot van deze klacht en
onderdeel 2is het hof ten onrechte voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van de man. Blijkens de toelichting op deze klachten zou het hof zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de medische aspecten, daar waar de man het standpunt had ingenomen dat de door de vrouw gestelde (en door hem betwiste) duurzame ontwrichting wordt veroorzaakt door een geestelijke stoornis van de vrouw.
Onderdeel 3, kort samengevat, herhaalt de bezwaren van godsdienstige aard die de man tegen toewijzing van het echtscheidingsverzoek heeft en zijn argument dat de vrouw hem trouw heeft beloofd ‘tot de dood ons scheidt’ (zie rov. 4). Het hof heeft deze bezwaren onderkend en verworpen. Ook hier heeft het hof een juiste maatstaf aangelegd [4] . Het argument van de man (onder a) dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan is door het hof genoegzaam weerlegd in rov. 7, laatste zin, en rov. 8. Verder klaagt de man dat het hof zijn (onder b en c genoemde) bezwaren heeft miskend omdat hij, met zijn betoog dat partijen ervoor hebben gekozen “een Goddelijk recht te volgen” [5] , bedoelde dat partijen naar burgerlijk recht − dus niet: naar kerkelijk recht − een afwijking van art. 1:151 BW Pro zijn overeengekomen. Ook deze klacht faalt: het hof behoefde dit niet in het betoog van de man te lezen. Overigens zou die stelling hem niet hebben gebaat: de openbare orde en de goede zeden brengen mee dat de wettelijke grond voor ontbinding van een burgerlijk huwelijk niet bij overeenkomst kan worden beperkt.
Onderdeel 4komt neer op de klacht dat de overweging dat “een geloofsovertuiging niet maatgevend kan zijn voor het in de Nederlandse samenleving als geheel geldende recht met betrekking tot de mogelijkheid van ontbinding van een huwelijk” (rov. 6) in de zich “snel ontwikkelende multiculturele samenleving” oneerbiedig en discriminerend werkt. Volgens het middelonderdeel is handhaving van dit (aan HR 12 juli 2002 ontleende) uitgangspunt in strijd met het in diverse verdragen neergelegde discriminatieverbod.
burgerlijkebetrekkingen (art. 1:30 lid 2 BW Pro).
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.