Conclusie
[A]/Autocentrum Zuid-Nederland [1] . Ik meen dat het cassatieberoep niet opgaat.
grieven 4 en 5richten zich in de kern tegen het oordeel van de kantonrechter dat bij de beoordeling van het ontslag op staande voet niet van belang is of de diefstal uit bagage en postzakken als diefstal of als poging tot diefstal in strafrechtelijke zin kan worden aangemerkt. Deze grieven falen. Uit het partijdebat blijkt dat partijen het begrip ‘diefstal’, dat als ontslaggrond is gehanteerd, in verschillende zin hebben bedoeld en opgevat. [eiser] heeft in eerste aanleg en in zijn memorie van grieven dit begrip opgevat in strafrechtelijke zin (en is van oordeel dat nu hij van diefstal is vrijgesproken dit er aan in de weg staat diefstal als ontslaggrond te hanteren), terwijl Olympia hiermee klaarblijkelijk bedoelde het bewust in strijd met de geldende regelingen bagage en/of postzakken meenemen (naar een donkere plek), en/of deze te openen en te doorzoeken. De omstandigheid dat [eiser] door de strafrechter, die gebonden is aan de bewoordingen van de tenlastelegging (waarin opvalt dat niet subsidiair poging tot diefstal
uitbagage en/of (poging tot) verduistering in dienstbetrekking is opgenomen) is vrijgesproken van het hem - op het op dit feitencomplex betrekking hebbende - tenlastegelegde brengt slechts mee dat hetgeen in die strafzaak is ten laste gelegd niet is bewezen, maar staat er niet aan in de weg dat de rechter in de onderhavige civielrechtelijke procedure tot het oordeel komt dat het door Olympia gestelde en als diefstal aangeduide feitencomplex komt vast te staan. Indien de door Olympia gestelde feiten komen vast te staan, leveren die naar het oordeel van het hof een dringende reden op voor ontslag op staande voet, nu [eiser] niet heeft betwist dat het meenemen en doorzoeken in strijd met de geldende regels was. Of een en ander geleid heeft tot daadwerkelijke ontvreemding van goederen is niet relevant. Juist omdat voor Olympia niet te controleren valt of haar werknemers bij het doorzoeken van postzakken en bagage iets ontvreemden - het betreft immers eigendommen van derden - mag zij de zware sanctie van ontslag op staande voet stellen op het - expliciet verboden - doorzoeken van postzakken en bagage.
Grief 3houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat met het overleggen van het rapport van KLM Security Services gedateerd 7 december 2007, van rapporteurs [betrokkene 1] en [betrokkene 2], security officers, Olympia heeft voldaan aan haar civielrechtelijke bewijslast ten aanzien van de aan de dringende reden ten grondslag gelegde feiten en voorts dat [eiser] die rapportage niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, met de kanttekening dat Olympia niet hoeft te bewijzen dat [eiser] zich in strafrechtelijke zin heeft schuldig gemaakt aan diefstal.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
onmiddellijke duidelijkheidmoet zijn bij de wederpartij hebben miskend (ik noem dit subonderdeel 1.1, weergegeven in 12, 14, 15 en 16 1e gedeelte van de cassatiedagvaarding).
onderdeel 2zijn de persoonlijke omstandigheden van [eiser] niet juist althans niet begrijpelijk in de afweging betrokken (cassatiedagvaarding 18 t/m 21).
Wapenaar/Taxi Hofman [25] geoordeeld dat, als verduistering aan het ontslag op staande voet ten grondslag wordt gelegd, de werkgever de daarbij behorende opzet moet stellen, en zo nodig bewijzen [26] . In
Tetterode-tankpas [27] was sprake van een ontslag op staande voet wegens fraude/diefstal. Deze bestond eruit dat de echtgenote van de werknemer ten behoeve van haar eigen auto (benzine) meerdere malen gebruik had gemaakt van de door de werkgever ten behoeve van de leaseauto (diesel) aan de werknemer ter beschikking gestelde tankpas. Het partijdebat was in die zaak gericht op de verwijtbaarheid en met name op de vraag of de werknemer aan het oneigenlijk gebruik van de tankpas door zijn echtgenote had meegewerkt. Dit was volgens partijen het geval als de werknemer van het gebruik wist dan wel had behoren te weten (hetgeen door de werknemer werd ontkend). Het hof oordeelde dat de werknemer van het oneigenlijk gebruik geweten moet hebben of had behoren te weten, waardoor het ontslag op staande voet in stand bleef. In cassatie werd aangevoerd dat het niet voldoende was dat de werknemer van het oneigenlijk gebruik behoorde te weten maar dat vereist was dat hij het wist. Uw Raad oordeelde dat uit de overwegingen van het hof, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat onaannemelijk is dat de werknemer niet wist van het oneigenlijk gebruik van zijn vrouw. Daarmee heeft uw Raad de vereiste opzet in de overwegingen van het hof ingelezen en de beslissing in stand gelaten. [28] Ook in de zaak
[.../...] [29] (afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro) werd het opzetbegrip diefstal/verduistering ingevuld door het partijdebat. Partijen hadden in die zaak alleen gedebatteerd over de vraag of het bewijs ten aanzien van diefstal/verduistering was geleverd, ervan uitgaande dat dit noodzakelijk was voor een dringende reden waaruit moet worden afgeleid dat zij kennelijk het strafrechtelijke begrip voor ogen hebben gehad. De vraag of eveneens sprake zou kunnen zijn van een dringende reden indien geen sprake was van opzet was geen onderdeel van het debat, zodat dit in cassatie ook niet aan de orde was. [30]
[B]/CP&A Outdoor [31] . Deze zaak had betrekking op een werknemer die administratieve registratielijsten onjuist had ingevuld, hetgeen door de werkgever was aangeduid als ‘fraude’. Uit het partijdebat bleek volgens Uw Raad dat partijen het (niet vastomlijnde) begrip ‘fraude’, dat als ontslaggrond is gehanteerd, in verschillende zin hebben bedoeld en opgevat: de werknemer heeft dit begrip opgevat in - niet nader gespecificeerde - strafrechtelijke zin en de werkgever als het bewust onjuist invullen van administratieve registratielijsten. Uw Raad heeft in die zaak ‘fraude’ in de ontslagbrief gelezen als een samenvatting van de werknemer verweten gedragingen waarbij er voor de werknemer op dat punt ook geen misverstand kon bestaan – en dus niet als ‘fraude’ in strafrechtelijke zin:
[A]/Autocentrum Zuid-Nederland [32] de vraag aan de orde geweest of het gebruik van het strafrechtelijke begrip ‘diefstal’ tot gevolg heeft dat de werkgever alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving moet bewijzen. Ook in deze zaak ging het om het gebruik van een tankpas die door de werkgever ter beschikking was gesteld ten behoeve van de bedrijfsauto. De werknemer had deze tankpas gebruikt ten behoeve van zijn privé auto en de auto van zijn echtgenote. De werknemer werd ontslagen wegens ‘diefstal’. De vraag of het strafrechtelijke begrip diefstal door de werkgever bewezen moest worden is door uw Raad ontkennend beantwoord:
[A]/Autocentrum Zuid-Nederland,niet een cassatieklacht dat wanneer ‘diefstal’ als reden voor ontslag op staande voet wordt meegedeeld, de rechter steeds moet vaststellen dat is voldaan aan alle elementen van de delictsomschrijving uit art. 310 Sr Pro. Het gaat nu bij onderdeel 1 over onmiddellijke duidelijkheidstoets van de dringende reden en de toepassing van het fixatiebeginsel en dat was in de zaak van februari j.l. niet aan de orde.
redelijkerwijs heeft moeten begrijpendat Olympia zich met ‘diefstal’ niet heeft willen beperken tot het begrip ‘diefstal’ in strafrechtelijke zin, maar heeft bedoeld ‘het meenemen van bagage en/of postzakken naar een donkere plek en deze te openen en te doorzoeken zonder dat sprake was van enige daadwerkelijke ontvreemding van goederen uit die bagage en/of postzakken’. Dat geeft volgens de klacht blijk van een onvoldoende strenge maatstaf voor de manier waarop een dringende reden moet worden meegedeeld. Het hof had niet moeten onderzoeken of [eiser] dit
redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, maar of hem dit
onmiddellijk duidelijkwas. Gesuggereerd wordt dat het hof deze vraag in het tussenarrest over het hoofd heeft gezien en vervolgens in het eindarrest getracht heeft de gemaakte fout te herstellen, hetgeen het hof vervolgens op onjuiste wijze zou hebben gedaan.
heeft moeten begrijpendat zijn gedragingen van die avond, die Olympia als ‘diefstal’ heeft geformuleerd, de aanleiding tot zijn ontslag hebben gevormd. Volgens de s.t. zijdens Olympia onder 8 zijn de bewoordingen van het hof die onder 15 van de cassatiedagvaardingen worden gewraakt “afgestemd op die in de arresten genoemd in rov. 3.5.5 van het arrest van 19 februari van dit jaar, met name op HR 24 april 2009, JAR 2009/129” (herhaald bij dupliek onder 5). Dat blijkt niet expliciet, maar dat zou de gekozen woordkeus kunnen verklaren. Het doet aan het voorgaande niet af.
Bakkermans/Straalservice [33] als bevestigd in het
Meridiaan College-arrest [34] waarin de daarin toegepaste
heeft moeten begrijpen–toets van het hof te licht zou zijn bevonden, zoals subonderdeel 1.1 aandraagt in de cassatiedagvaarding onder 12 en 16 1e gedeelte, zie ik niet. Met name uit het tweede genoemde arrest van ruim elf jaar later blijkt tot twee keer toe dat de vereiste
onmiddellijke duidelijkheidook besloten kan liggen in een hofoverweging die neerkomt op een
heeft moeten begrijpen-toets. In de eerste
heeft moeten begrijpen-toets van het hof in de
Meridiaan College-zaak lag volgens Uw Raad besloten dat de ontslaggrond voor X.
onmiddellijk duidelijkwas. Uw Raad overweegt in rov. 3.3.2 en 3.3.3 dat het hof in die zaak in rov. 5.6 in aanmerking heeft genomen dat in de ontslagbrief verklaringen van leerlingen zijn geciteerd over ongewenste intimiteiten door X, dat hij in 2006 is gewaarschuwd en in 2009 is berispt voor soortgelijke feiten en daarvoor begeleiding heeft gekregen ter voorkoming daarvan. Rov. 3.3.3 besluit dan met dit:
dat daarmee voor X. voldoende duidelijk waswelke feiten en omstandigheden aan het ontslag ten grondslag lagen, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In het oordeel van het hof ligt, mede gelet op zijn overweging in rov. 5.11 dat de dringende reden voor X. in het licht van de inhoud van de aanzegging en overige omstandigheden van het geval duidelijk moet zijn geweest, besloten dat de ontslaggrond voor X. onmiddellijk duidelijk was. De klacht faalt dus.” (cursivering A-G)
onmiddellijk duidelijkwas of hij ook zou zijn ontslagen wegens het uiteindelijk door de rechter vastgestelde deel van de dringende reden, namelijk zijn gedrag tegenover twee van de vier in de ontslagbrief opgevoerde leerlingen. Dat moet X. volgens het hof
duidelijk zijn geweest,omdat dat
besloten ligtin de aard van de betrokken klachten inzake ongewenste intimiteiten en in rov. 3.4.1 en 3.4.2 wijst Uw Raad ook de cassatieklacht daarover van de hand:
duidelijk moet zijn geweestdat de dringende reden werd gevormd door klachten van leerlingen over ongewenste aanrakingen,
ligt beslotendat bij X.
redelijkerwijs geen twijfel kan hebben bestaandat hij ook zou zijn ontslagen indien slechts een deel van de inhoud van de in die aanzegging weergeven klachten zou komen vast te staan.” (cursiveringen A-G)
Straalservice-casus. De door het onderdeel bedoelde subregel lijkt mij niet te bestaan in het licht van de uiteengezette latere ontwikkelingen. Bedacht moet daarbij worden dat in die zaak geen daadwerkelijke mededeling was gedaan (anders dan in onze zaak en de
Meridiaan College-zaak) en dat dan niet hoeft te verbazen dat er wat hogere eisen gesteld worden aan de vraag of rechtens kan worden gezegd dat niettemin voor betrokkenen
onmiddellijk duidelijkwas waarom hij werd ontslagen op staande voet. In die constellatie ligt een
had moeten begrijpen-exercitie van de feitenrechter allicht eerder onder een argwanend cassatievergrootglas.
onmiddellijke duidelijkheidbij de wederpartij leidt omtrent de dringende reden [35] . Welnu, die vereiste duidelijkheid heeft het hof naar ik meen zonder schending van rechtsregels en voldoende begrijpelijk kunnen aannemen in onze zaak (een overigens grotendeels feitelijke exercitie). Gelet op hetgeen als in de nacht van 6 op 7 december 2007 voorgevallen is vastgesteld door het hof na bewijslevering door Olympia, waarmee [eiser] naar in cassatie onbestreden vast staat direct is geconfronteerd die nacht door KLM-beveiligingspersoneel en de Marechaussee en waarover hij is ondervraagd en heeft verklaard toen, maakt – anders dan het cassatiemiddel op dit subonderdeel wil – inzichtelijk dat voor [eiser]
onmiddellijk duidelijkis geweest dat met ‘diefstal’ in de op 7 december 2007 gedateerde ontslagbrief werd gedoeld op: het onbevoegd meenemen en doorzoeken van bagage van passagiers; immers: dàt is wat werd geconstateerd en hem is voorgehouden die nacht. In redelijkheid kan er dan voor [eiser] geen twijfel over zijn geweest dat dìt type gedragingen werd bedoeld met de aanduiding ‘diefstal’. Dat [eiser] niet voldoende duidelijk zou zijn gemaakt waarom hij op staande voet werd ontslagen heeft in de woorden van de s.t. zijdens Olympia onder 15 gelet op de omstandigheden van deze zaak inderdaad een zekere mate van schijnheiligheid. [eiser] had niets te zoeken in de bagage en postzakken en zijn blote ontkenningen aangaande de daaromtrent gedane waarnemingen maken tegenover de gedetailleerde bevindingen van beveiligingspersoneel blijkend uit processen verbaal van opsporingsambtenaren een povere indruk.
subonderdeel 1.2heeft het hof het fixatiebeginsel miskend, omdat getoetst moet worden of
de opgegeven dringende redenis komen vast te staan en niet of er sprake is van
een (andere) dringende redenvoor ontslag op staande voet. Dat het hof dit uitgangspunt heeft miskend blijkt volgens de klacht uit rov. 3.3 van het tussenarrest, waarin het hof overweegt dat het bij de beoordeling van de vraag of het gegeven ontslag op staande voet wegens diefstal uit bagage en postzakken niet relevant is of sprake was van daadwerkelijke ontvreemding van goederen. Daarmee, evenals met zijn oordeel in rov. 3.3 dat ‘Olympia de zware sanctie van ontslag op staande voet mag stellen op het - expliciet verboden - doorzoeken van postzakken en bagage’, heeft het Hof miskend dat de werkgever, indien de werknemer in rechte opkomt tegen een hem gegeven ontslag op staande voet, de bewijslast draagt van de
daadwerkelijk aan de werknemer opgegeven ontslaggrond. Het doorzoeken van postzakken en bagage zonder iets weg te nemen is volgens de klacht een fundamenteel andere ontslaggrond dan ‘diefstal uit bagage en postzakken’, want dat laatste impliceert ontvreemding van goederen. Daarmee is ook de onjuistheid van rov. 2.10 van het eindarrest gegeven (zie voor dit alles cassatiedagvaarding onder 16, 2e gedeelte). Ook de passage uit rov. 3.3 van het tussenarrest dat de door Olympia gestelde feiten meenemen en doorzoeken van bagage en poststukken
eendringende reden opleveren, geven volgens 17 van de cassatiedagvaarding blijk van deze onjuiste rechtsopvatting: het gaat niet om
eendringende reden, maar of
demedegedeelde reden als dringend kwalificeert.
deopgegeven dringende reden; het hof onderzoekt niet of er een andere dringende reden voorhanden is. Voldoende is dat dit feitencomplex/die dringende reden is komen vast te staan. Dat [eiser] daadwerkelijk goederen uit de bagage heeft
ontvreemd(in strafrechtelijke zin) is daarvoor niet vereist. Van een wezenlijk andere ontslaggrond dan in de ontslagbrief aangegeven, is geen sprake [36] , omdat ‘diefstal’ hier niet in strafrechtelijke zin moet worden begrepen.
onderdeel 2wordt onder verwijzing naar het arrest
Van Essen/Schrijver [37] geklaagd dat het hof heeft nagelaten om bij de beoordeling van de dringende reden een afweging te maken van alle omstandigheden van geval, waaronder de aard en ernst van de dringende reden, de aard van de dienstbetrekking, de duur en de wijze van vervulling ervan en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Dat had volgens de klacht wel gemoeten, omdat [eiser] hier bij repliek onder 36 e.v. in eerste aanleg, maar ook in appel een beroep op heeft gedaan: bij grieven onder 2 heeft hij gewezen op het feit dat hij sinds 1996 op Schiphol werkzaam was en dus een dienstverleden had van meer dan 10 jaar. Dit is een omstandigheid die bij de beoordeling van de dringende reden betrokken had moeten worden. Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.
geen griefgericht. [eiser] heeft er bij grieven onder 2 wel op gewezen dat hij, voor hij bij Olympia in dienst trad, via verschillende uitzendbureaus op Schiphol werkzaam is geweest en dat daarom volgens hem sprake was van een dienstverband sinds 1996. [38] Hij heeft evenwel tegen de feitelijke vaststelling door de kantonrechter onder 1 dat hij sinds 1 april 2005 bij Olympia in dienst was
geen griefgericht en dat ook overigens niet nader op voor het onderhavige punt ter zake dienende wijze ter discussie gesteld in appel. De vraag of de persoonlijke omstandigheden met zich brachten dat van een dringende reden geen sprake was, was in hoger beroep dan ook geen voorwerp van procedureel debat.
Looijen/Jansen & De Kruyf [39] , deze in eerste aanleg aangevoerde stelling ambtshalve in zijn oordeel had moeten betrekken, zoals in de cassatiedagvaarding onder 21 wordt aangekaart [40] . Ik meen dat de strekking van dit arrest niet zo ver gaat, dat de negatieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep hierdoor opzij gezet zou moeten worden. Steun hiervoor valt te ontlenen aan het
De Lange/Wennekes Lederwaren-arrest [41] : persoonlijke omstandigheden waarop de werknemer in het processuele debat zich niet heeft beroepen, vergen geen rechterlijk onderzoek bij de vraag of sprake is van een dringende reden. Ik meen dat het hof in de specifieke processuele omstandigheden van onze zaak zich niet ambtshalve expliciet behoefde af te vragen of [eisers] persoonlijke omstandigheden gelet op de aard en de ernst van de dringende reden aan het ontslag op staande voet in de weg dienen te staan. Daarop strandt volgens mij onderdeel 2, maar ik realiseer mij dat dit deels een kwestie van processuele waardering is; het is de vraag wat zwaarder moet wegen, het wel aankaarten dat er iets is met een langer dienstverband dan op het eerste gezicht lijkt (ook al is daar in ander verband al een rechterlijke staf over gebroken in andere zin, vgl. voetnoot 38 en erg
to the pointis dat aankaarten nu ook weer niet geweest in onze zaak), of het geen grief richten tegen de vaststelling dat sprake is van een dienstsverband sinds 2005. Ik houd het als gezegd op het laatste.