Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Hierbij bevestig ik ons gesprek over het functioneren van het afgelopen jaar en jouw benoeming tot directeur van de IVO Advies Groep. (..) Het brutosalaris wordt met ingang van 1 juli 2009 verlaagd naar € 7.200,00 en de functietoeslag voor groepsdirecteur wordt € 1.000,00. Je onkostenvergoeding blijft € 100,00 voor kleine onkosten en representatie. Daarnaast deel je mee in de winstdelingsregeling voor de bedrijfsgroep. Uitgangspunt daarbij is 5% van de groepswinst. Voorwaarden en condities worden daarbij nog nader met jou besproken. (…).”
Inzage in de door u bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarcijfers over 2009 leert dat de IVIO Adviesgroep over dat jaar een winst heeft behaald van + € 1.230.151,00. Op grond van het met mij gesloten arbeidscontract van groepsdirecteur van de IVIO Adviesgroep welke functie van 1 januari 2009 tot 1 juni 2010 heb bekleed komt mij daarvan 5% toe. Uw betaling van 61.507,55 bruto, zijnde 5% (…) zie ik dan ook per ommegaande tegemoet.”
nietinclusief de winstdeling is en dat
geenfinale kwijting is overeengekomen. De rechtbank wees in dit verband op de overgelegde schriftelijke verklaringen die het standpunt van KMM ondersteunden. De rechtbank heeft de werknemer toegelaten tot bewijslevering.
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel Iklaagt de werknemer dat het hof miskent dat aan afspraken die zijn vastgelegd in een 2,5 jaar later opgesteld proces-verbaal geen dwingende bewijskracht kan worden toegekend (als bedoeld in art. 157 Rv Pro), indien het proces-verbaal is opgesteld toen de desbetreffende rechter (door het tijdsverloop) niet op basis van eigen waarneming kon vaststellen wat de exacte afspraken (moeten) zijn geweest. Volgens het middelonderdeel berust het opgemaakte proces-verbaal slechts op een interpretatie achteraf door de kantonrechter en de griffier van de tijdens de zitting door de griffier met de hand gemaakte aantekeningen. Volgens het middelonderdeel had het hof in dit geding zélf een oordeel behoren te geven over de juiste interpretatie van deze aantekeningen. Dat heeft het hof nagelaten.
all-in-vergoeding zijn afgesproken met finale kwijting over en weer [18] . KMM stelt deze overeenkomst te hebben opgevat in die zin dat zij daarmee van al haar financiële verplichtingen jegens de werknemer was bevrijd. De werknemer bestreed dat standpunt. Nadat de rechtbank de vordering had afgewezen, het hof in zijn tussenarrest de bewijslast in beginsel bij KMM had gelegd maar het door KMM te leveren bewijs geleverd achtte, behoudens door de werknemer te leveren tegenbewijs, had de werknemer alle gelegenheid om – door middel van de getuigenverhoren – het door KMM geleverde bewijs te ontzenuwen of zelfs de juistheid van het eigen standpunt van de werknemer aan te tonen. Dat is, naar het hof oordeelt, niet gebeurd. Eerst in de memorie na enquête in appel heeft de werknemer een nieuwe draai aan zijn stellingname willen geven, in die zin dat een bereikte overeenstemming betrekking kan hebben op het recht op winstdeling over 2009 als zodanig, maar ook op dat recht als omstandigheid die de hoogte van de B factor bepaalt. Het hof is kennelijk, en niet onbegrijpelijk, van oordeel dat dit een zodanige uitbreiding van de grieven is dat deze zich niet verdraagt met een goede procesorde. Onderdeel III faalt.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
in beginselbij KMM ligt. KMM klaagt dat het hof miskent dat de Baijingsleer in dit geval niet van toepassing is omdat de ontbindingsrechter niet is overgegaan tot een eigen integrale beoordeling van de zaak. Er was slechts sprake van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst waarvan de inhoud door de kantonrechter in de beschikking van 31 mei 2010 is overgenomen.
nietbetrekking op aanspraken die tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan en geen verband houden met de wijze van beëindiging of met de gevolgen daarvan, zoals bijvoorbeeld een aanspraak op achterstallig loon of – in dit geval – een winstuitkering. Dit neemt niet weg dat een werkgever en een werknemer in het kader van de onderhandelingen over de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst in een en dezelfde overeenkomst (eventueel: een vaststellingsovereenkomst) een regeling kunnen treffen die betrekking heeft zowel op de beëindiging en de gevolgen daarvan als op de afwikkeling van reeds bestaande verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.
Onderdeel 4mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft verder geen bespreking.
nietonder de finale kwijting viel.
Onderdeel 6hangt samen met onderdeel 5, bevat geen zelfstandige klachten en kan evenmin tot cassatie leiden.