Conclusie
Zitting: 18 november 2016
(hierna: [eiseres])
(hierna: [verweerder])
1.Feiten
2.Procesverloop
voor wat betreft hetgeen onder 3.1 tot en met 3.3. van het dictum van het vonnis van 4 december 2013 is beslist en de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen, één en ander voor zover die vonnissen tussen [verweerder] en [eiseres] zijn gewezen" en gelast partijen, opnieuw rechtdoende, - tezamen met de overige deelgenoten - de nalatenschap van de erflaatster te verdelen met in achtneming van de in hoger beroep in stand gebleven beslissingen van de rechtbank en de beslissingen van het hof.
nietreeds thans moeten worden begrepen en uitgelegd dat de uitspraak van het hof van 16 juli 2015 ook rechtsgevolg heeft tegen de medegedaagden van [verweerder] in eerste aanleg die niet in appel zijn gekomen, en (2) het arrest van 16 juni 2015 derhalve uitsluitend de verhouding regelt tussen [verweerder] en [eiseres] en niet ook tevens die van de niet verschenen medegedaagden. Voor zover aan deze voorwaarde is voldaan, worden de volgende klachten voorgedragen.
Vooraf merk ik op dat als gevolg van het arrest van het hof enerzijds een aantal tot de nalatenschap behorende activa tegen een lager bedrag moet worden gewaardeerd (slagen grief 1) dan wel buiten de nalatenschap valt (slagen grief 2), en anderzijds enkele passiva die door de rechtbank buiten de nalatenschap waren gehouden, wél moeten worden meegenomen (slagen grief 3, 4 en 5). Bovendien is geoordeeld dat [verweerder] minder als voorschot reeds heeft ontvangen dan de rechtbank had aangenomen (slagen grief 6). Het gevolg van deze beslissingen is dat de omvang van de nalatenschap geringer is dan de rechtbank had geoordeeld. Er valt dus minder te verdelen tussen de deelgenoten. Daar staat tegenover dat de positie van [verweerder], als voormalig partner van erflaatster, verbetert.
Een uitzondering op deze hoofdregel bestaat in de situatie dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In dat geval krijgt de uitspraak in hoger beroep óók gelding ten opzichte van de niet in beroep gekomen partij. [26] De Hoge Raad heeft deze figuur voor het eerst uitvoerig toegelicht in een arrest van 21 november 1952 (
Den Ouden/Van Rooij): [27]
Den Ouden/Van Rooij). [29] Partijen hoeven geen beroep te doen op het ius recursus extensum; de rechter dient dit ambtshalve toe te passen. [30] Het gevolg van toepassing van het ius recursus is dat het in eerste aanleg gewezen vonnis geen kracht van gewijsde krijgt ten opzichte van de niet-appellerende gedaagden, zo is overwogen in het arrest uit 1952. [31]
falenvan het hoger beroep zal hun positie ongewijzigd blijven, mede vanwege het verbod op een reformatio in peius. Bij het
slagenvan het hoger beroep zal hun positie er op vooruit gaan, zo werd aangenomen. Met ander woorden, het ius recursus extensum strekt in het algemeen in het
voordeelvan de niet-appellerende medegedaagden. Zo merkt A-G Eggens in zijn conclusie bij het arrest uit 1952 (
Den Ouden/Van Rooij) het volgende op (onderstreping a-g): [32]
ten voordelewerkt van de niet-appellerende medegedaagden:
Gelet op deze stand van zaken in rechtspraak en literatuur is het op zichzelf begrijpelijk dat [verweerder] zich in cassatie op het standpunt stelt dat voor toepassing van het ius recursus extensum geen vereiste is dat het hoger beroep tot een positief resultaat leidt voor de niet-appellerende medegedaagden. [37]
Volgens Haardt doet de figuur van het ius recursus extensum ‘wat geforceerd aan’ en kan het in zijn toepassingen nog wel eens moeilijkheden opleveren. Haardt schrijft dat het weinig bevredigend is dat partijen voor wie de afloop van het geding van het grootste belang kan zijn, (verder) buiten het geding gelaten worden. [38] Volgens hem zou aan dit probleem tegemoet kunnen worden door in een situatie van een 'solo-opererende appellant' de rechter te verplichten om de niet-appellerende medegedaagden op de voet van art. 118 Rv Pro als derden in het geding te roepen. [39] Hierbij is op te merken dat ten tijde van het arrest uit 1952 de mogelijkheid om derden in het geding te roepen niet bestond; deze ontstond pas met de invoering van art. 12a Rv (oud) in 1992. [40]
Deze oplossing spreekt echter niet erg aan omdat dan rekening moet worden gehouden met een hernieuwd debat in een verzetprocedure, nadat het hof uitspraak heeft gedaan.
verslechtert. Zij zijn niet opgeroepen in hoger beroep en het is niet ondenkbaar dat zij in het geheel niet op de hoogte zijn van de appelprocedure. [43] Vervolgens worden zij echter wél geconfronteerd met een rechterlijke beslissing waarover zij niet eerst hun standpunt naar voren hebben kunnen brengen, en waarmee zij slechter af zijn dan met het oorspronkelijke vonnis. Naar mijn mening levert dit strijd op met het beginsel van hoor en wederhoor. Dat deze partijen wel in eerste aanleg in het geding betrokken waren en dus op de hoogte waren van díe procedure, zoals [verweerder] in cassatie benadrukt, [44] maakt dit niet wezenlijk anders. Inderdaad waren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in eerste aanleg gedagvaard, maar hebben zij ervoor gekozen niet te verschijnen in de procedure en is tegen hen verstek verleend. Daaruit volgt echter niet dat zij ook bekend waren of redelijkerwijs konden zijn met de procedure
in hoger beroep. In die procedure zijn zij simpelweg niet opgeroepen en waren zij dus geen partij. Er is geen constructie te maken op grond waarvan zij dat 'eigenlijk' toch waren.
moetdit tot gevolg hebben dat de solo-opererende appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep, zo nodig ambtshalve. Het accepteren van tegenstrijdige rechterlijke uitspraken in geval van een ondeelbare rechtsverhouding is immers een niet-begaanbare weg. Het niet-ontvankelijk verklaren van de solo-opererende appellant wordt in deze zaak in cassatie verdedigd door [eiseres].
Het nadeel van deze oplossing is verwoord in het arrest van 1952: in dat geval zou het recht op hoger beroep afhankelijk worden gemaakt van de opstelling van de (toevallige) medegedaagden. Ik denk dat dat, ook nu (misschien zelfs: zeker nu), niet aanvaardbaar is. Weliswaar vloeit uit art. 6 EVRM Pro geen recht op hoger beroep voort, maar in de Nederlandse rechtspraak is het recht op toegang tot de appelrechter wel degelijk stevig verankerd. [45] Het is daarom weinig aantrekkelijk om een solo-opererende appellant zonder meer niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep in geval van een ondeelbare rechtsverhouding.
indienzich voordoet dat de rechter van oordeel is dat er meer partijen in het geding moeten worden betrokken dan zijn gedagvaard, de rechter gelegenheid behoort te geven tot het alsnog oproepen van die partijen. Zie HR 15 maart 2003 (Schepen Onderlinge Nederland): [48]
Het ligt voor de hand dat de appelrechter die gelegenheid biedt bij aanvang van de appelprocedure, dus niet pas nadat duidelijk wordt dat de beslissing in hoger beroep nadelig gaat uitpakken voor de niet-appellerende medegedaagden. Dit betekent dat ook in geval het ius recursum extensum zich voordoet op de wijze zoals het oorspronkelijk is bedacht, ten gunste van de niet-appellerende medegedaagden, oproeping moet plaatsvinden.
Het is vervolgens aan de opgeroepen niet-appellerende medegedaagden om te kiezen of zij al dan niet willen verschijnen in de procedure in hoger beroep. Maar ook bij niet-verschijning kwalificeren degenen die als derden zijn opgeroepen als partij in het geding. [49] Dit heeft tot gevolg dat de uitspraak in appel ook jegens hen geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen. Daaruit vloeit dan automatisch voort dat de uitspraak in appel kracht van gewijsde heeft voor deze als derde opgeroepen partijen. Het gevolg daarvan is dat het ius recursum extensum in feite een overbodig leerstuk is geworden. De niet-appellerende medegedaagden zijn immers zelf partij geworden in hoger beroep, ongeacht of zij wel of niet verschenen zijn. Het vonnis van de rechtbank heeft dan jegens hen geen kracht van gewijsde.
alledeelgenoten in het geding moeten worden betrokken. [54] Als een dergelijke ‘prejudiciële kwestie’ is aan te merken (bijvoorbeeld) de vraag welke personen deelgenoot zijn in de gemeenschap, of er reeds een verdeling heeft plaatsgevonden, wat de samenstelling is van de gemeenschap en de omvang van een schuld van een deelgenoot aan de gemeenschap. [55] De vordering die in het arrest van 28 juni 1946 aan de orde zijnde was, die tot veroordeling van een andere deelgenoot tot medewerking aan de verdeling, werd níet als zo'n ‘prejudiciële kwestie’ beschouwd. Het was dus niet noodzakelijk dat alle deelgenoten in de procedure waren betrokken, zodat het honoreren door rechtbank en hof van de exceptio plurium litis consortium onjuist was.
ten behoeve vande gemeenschap, maar om een vordering
tussendeelgenoten. Art. 3:171 BW Pro ziet op de relatie tussen een deelgenoot en een derde; een vordering tegen deelgenoten valt niet onder het toepassingsbereik van art. 3:171 BW Pro. [59]
Voorts neemt het onderdeel terecht aan dat vanwege de ondeelbaarheid van de rechtsverhouding waarover beslist moet worden, geen sprake mag zijn van tegenstrijdige rechterlijke uitspraken. Het kan niet zo zijn dat de gemeenschap ten opzichte van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] een andere omvang heeft dan ten opzichte van [eiseres] en [verweerder].
Anders ligt dit voor de stelling dat het hof niet tot een beoordeling had mogen overgaan zonder dat alle deelgenoten in het geding waren betrokken. Inderdaad dient de appelrechter in een situatie als de onderhavige, waar sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding en slechts een van de gedaagden hoger beroep instelt, geen uitspraak te doen alvorens gelegenheid is gegeven de niet-appellerende medegedaagden op de voet van art. 118 Rv Pro in het geding te betrekken. Als dit achterwege wordt gelaten, bestaat de mogelijkheid - die zich in het onderhavige geval daadwerkelijk heeft gerealiseerd - dat de positie van de niet-appellerende medegedaagden wordt verslechterd, doordat de uitspraak van het hof op grond van het ius recursum extensum ook rechtskracht heeft ten opzichte van hen. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zoals hiervoor onder 3.16 is besproken.
De rechtsklacht in het middelonderdeel is derhalve in zoverre terecht voorgesteld. Ik merk op dat in de toelichting op het onderdeel (cassatiedagvaarding onder n) door [eiseres]
nietwordt verdedigd dat het hof gehouden was tot oproeping, maar dat het hof had moeten volstaan met niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder]. [60] Zoals gezegd deel ik dat standpunt niet; het hof was wél ambtshalve gehouden tot oproeping (zie onder 3.17). Nu het middelonderdeel onder 1.2 (slechts) stelt
'dat het hof (de waarde van) de activa en passiva die tot de gemeenschap behoren niet anders(...)[had]
mogen vaststellen dan de rechtbank had gedaan zonder dat alle deelgenoten in het geding waren betrokken (...)' meen ik dat deze klacht gegrond kan worden bevonden. Daaraan is dan toe te voegen dat het hof ambtshalve gelegenheid had moeten geven om [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de voet van art. 118 Rv Pro op te roepen om als partij in het geding te verschijnen.
behoudensvoor zover het hof op onderdelen tot een andere beslissing is gekomen. Het vergt enig gepuzzel om vast te stellen welke beslissingen in stand worden gelaten en welke beslissingen in hoger beroep zijn vervangen door een andere beslissing. Het vergt nog meer gepuzzel om vast te stellen tot welke financiële aanspraken dit leidt voor de verschillende deelgenoten. Het zou wat mij betreft beter zijn geweest dat het hof bij wijze van serviceverlening aan partijen zélf had berekend op welk bedragen de deelgenoten precies aanspraak hebben en dat in zijn arrest had neergelegd. Het verdient geen aanbeveling dat de rechter het dictum zo cryptisch formuleert, dat partijen zich (wederom) van rechtskundige bijstand moeten laten voorzien om te begrijpen wat de rechter nu eigenlijk heeft beslist in hun zaak. Daar staat tegenover dat ook partijen zelf niet de moeite hebben genomen (in hun memorie van grieven respectievelijk memorie van antwoord) om uit te rekenen waar hun stellingen/verweren precies toe leiden. Hoe dan ook, niet kan worden volgehouden dat in het arrest geen sprake is van de vaststelling van een wijze van verdeling op de voet van art. 3:185 lid 1 BW Pro. Aan de hand van arrest en vonnis kan immers worden vastgesteld hoe die verdeling eruit ziet. Daarmee faalt de rechtsklacht.
'partijen – tezamen met de overige deelgenoten'gelast wordt te verdelen met inachtneming van de in stand gebleven beslissingen van de rechtbank en de beslissingen van het hof, bedoeld heeft dat het arrest ook kracht van gewijsde heeft jegens [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Dit is in overeenstemming met de heersende leer, dat het hof ambtshalve het ius recursum extensum dient toe te passen en zijn uitspraak ook gelding dient te geven jegens de niet-appellerende medegedaagden (zie onder 3.12). Daaruit zou volgen dat niet voldaan is aan de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld.
Mocht mijn voorstel worden gevolgd dat het principale cassatiemiddel slaagt omdat door het hof uitspraak is gedaan over de rechten van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zonder dat zij daarover zijn gehoord, dan brengt dat mee dat (ook dan) de voorwaarde níet is vervuld. Het arrest heeft dan immers geen rechtsgevolg, dus ook niet tegenover [betrokkene 2] en [betrokkene 3].
Na vernietiging zal het hof waarnaar de zaak wordt verwezen alsnog gelegenheid moeten geven aan [verweerder] – als appellant is hij de daartoe het meest geëigende partij – om [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de voet van art. 118 Rv Pro op te roepen.
Het incidentele cassatiemiddel faalt derhalve.