Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof het verweer van de raadsman dat het strafrechtelijk financieel onderzoek naar de betrokkene onrechtmatig is geweest en dat daaraan de consequentie van bewijsuitsluiting dan wel “strafvermindering” dient te worden verbonden, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
“1. Bewijsuitsluiting
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het in de strafzaak bewezen verklaarde “schuldwitwassen, meermalen gepleegd” onjuist, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het
derde middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof inhoudt dat de betrokkene ook wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gegenereerd door middel van of uit de baten van ‘schuldwitwassen, meermalen gepleegd’ in de periode van 1 januari 2001 tot 14 december 2001, terwijl schuldwitwassen in die periode niet strafbaar was. Het
vierde middelklaagt erover dat de bestreden beslissing geen beslissing bevat over de vraag of de betrokkene in de periode voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode, te weten vóór 1 januari 2007, wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gegenereerd door middel van soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Naar de kern genomen klagen de middelen over het oordeel van het hof dat het geschatte voordeel is verkregen door middel van of uit de baten van het in de strafzaak onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde ‘schuldwitwassen, meermalen gepleegd’. De middelen lenen zich aldus beschouwd voor een gezamenlijke bespreking.
2.3.3 Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Procesgang
NJ2013/293 m.nt. Reijntjes overwoog de Hoge Raad dat het oordeel dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, niet juist is. In latere rechtspraak is dat uitgangspunt bevestigd. [10] De rechter dient, wanneer hij de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert op het bewezen verklaarde witwassen, nader te motiveren waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit. De enkele overweging dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering. In de onderhavige zaak heeft noch de rechtbank noch het hof een dergelijke nadere motivering gegeven, zodat het oordeel dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezen verklaarde schuldwitwassen niet begrijpelijk is.